Vraag

11 jun. 2026

Schriftelijke vragen Onderzoek alternatieven afvalcluster

Aan de voorzitter van de gemeenteraad,

Op 27 mei 2026 heeft de gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg zich unaniem uitgesproken tegen de Haagse voorkeursvariant voor het verplaatsen van het afvalcluster. In diezelfde motie werd het college van Leidschendam-Voorburg opgeroepen met Den Haag in gesprek te gaan over alternatieven voor verplaatsing van delen -van het afvalcluster Binckhorst naar de Vlietzoom.

Op 27 mei heeft er in de commissie Ruimte van de gemeente Den Haag een werkbespreking plaatsgevonden over de verplaatsing van delen van het afvalcluster van de Binckhorst.

Overeenkomstig art. 32 van het Reglement van orde stellen de raadsleden Diego Demaree, Partij voor de Dieren, Judith Klokkenburg, ChristenUnie/SGP, Tijmen van WIjngaarden, SP, en Mylène Tabernal, VOLT, de volgende vragen:

Motie Leidschendam-Voorburg en bezwaren gemeente Rijswijk

  1. Heeft het college kennisgenomen van de op 27 mei 2026 aangenomen motie van de gemeenteraad Leidschendam-Voorburg, waarin wordt uitgesproken dat de gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg expliciet tegen de Haagse voorkeursvariant is en wordt verzocht het gesprek hierover aan te gaan met de gemeente Den Haag? Hoe reflecteert het college op de aangenomen motie van een direct aangrenzende gemeente die ontevreden is met het Haagse besluit?
  2. Hoe reflecteert het college erop dat in de motie duidelijk wordt aangegeven dat het Haags Cultuurlandschapspark richtinggevend moet zijn voor de Vlietzoom?
  3. Heeft het college kennisgenomen van de bezwaren van de gemeente Rijswijk op dit voorkeursvariant besluit, onder meer vanwege de verwachte verkeersoverlast en druk op het Rijswijkse Hoornwijck deel van de Vlietzoom?
  4. Deelt het college de opvatting van de indieners dat een ontwikkeling aan de rand van de gemeente, die grote gevolgen heeft voor natuur, verkeersstromen en leefomgeving niet uitsluitend als een Haagse aangelegenheid kan worden beschouwd? Zo ja, op welke wijze geeft het college daar concreet vorm aan met betrokken buurgemeenten, de provincie en overige stakeholders? Zo nee, waarom niet?
  5. Kan het college toezeggen de gespreksverslagen en de resultaten van de gesprekken met Leidschendam-Voorburg naar aanleiding van de motie van 27 mei 2026 met de raad te delen?

GAVI-kavel
In de bestuursovereenkomst Binckhorst (RIS314758) staat dat partijen streven naar verplaatsing van het niet-watergebonden deel van het afvalcluster naar de GAVI-kavel of een andere geschikte locatie. Daarnaast wordt in het bijbehorende collegebesluit expliciet verwezen naar ruimte op de GAVI-kavel ten behoeve van het afvalcluster. Zo staat letterlijk in de overwegingen: “de compensatieopgave van Binckhorst (circa 4,6 ha) zal plaatsvinden in een nieuw op te stellen bestemmingsplan voor de GAVI-kavel (ca 16 ha netto). Het surplus aan oppervlakte bedrijfsbestemming op de GAVI-Kavel door de gemeente bij toekomstige transformaties van bedrijventerreinen kan worden ingezet (in eerste instantie ten behoeve Afvalcluster Binckhorst (niet watergebonden) en kavels HOV en daarna andere compensatieopgaven);” Over deze bestuursovereenkomst en de ruimte op de GAVI-kavel heeft de wethouder in de commissievergadering toegezegd vele vragen nog schriftelijk deze maand te beantwoorden. Voor zover deze niet dan al zijn beantwoord, zouden indieners graag een specifiek antwoord ontvangen op de volgende vragen:

  1. Kan het college een onderzoek delen waarin de variant is onderzocht om een deel van het niet-watergebonden deel van het afvalcluster naar de GAVI-kavel te verplaatsen? Kan het college een onderzoek delen dat specifiek ingaat op het alternatief om de activiteiten die aan de Westvlietweg zijn geprojecteerd in de GAVI-kavel te laten komen?
  2. Kan het college toelichten of het klopt en zo ja waarom de GAVI-variant in het onderzoek van Haskoning als relatief gunstig en sneller realiseerbaar wordt aangemerkt?
  3. Kan het college aangeven hoeveel ruimte op de GAVI-kavel nu feitelijk beschikbaar is en kan er een detailoverzicht worden gegeven van welk deel nu feitelijk bestemd is, of toegezegd is en welk deel geldt als planologische compensatie?

Planologische compensatie
Over de planologische compensatie heeft de wethouder in de commissievergadering toegezegd vele vragen nog schriftelijk deze maand te beantwoorden. Voor zover deze niet dan al zijn beantwoord, zouden indieners graag een specifiek antwoord ontvangen op de volgende vragen:

  1. Kan het college toelichten wat onder "planologische compensatie" wordt verstaan, ook in de context van de GAVI-kavel? Welke juridische, planologische en bestuurlijke betekenis heeft dit begrip?
  2. Kan het college een overzicht verstrekken van alle ontwikkelingen waarvoor volgens het college op de GAVI-kavel sprake is van planologische compensatie, inclusief de omvang in hectares, de herkomstlocatie, de datum van toekenning, de bestuurlijke grondslag en de huidige status?
  3. Kan het college per genoemde compensatieopgave aangeven welk bestuursorgaan hierover heeft besloten, wanneer hierover is besloten en op basis van welk raads-, college- of ander bestuurlijk besluit?
  4. Kan het college toelichten in hoeverre bedrijven waarvoor planologische compensatie wordt opgevoerd daadwerkelijk belangstelling hebben om zich op de GAVI-kavel te vestigen? Is hier met een ondernemer reeds overeenstemming, een intentieverklaring of een andere vorm van commitment aanwezig? Zo ja, met hoeveel ondernemers en voor hoeveel ha?
  5. Kan het college aan de hand van de planologische compensatie vanuit Binckhorst toelichten hoeveel hectare planologische compensatie volgens het college verplicht is om specifieke bedrijven vanuit de Binckhorst naar de Gavi kavel te verplaatsen? Om hoeveel bedrijven gaat dit?
  6. Kan het college aan de hand van de PUK Oude Haagweg 4-36 (RIS321718) toelichten welke planologische compensatie volgens het college noodzakelijk is ten behoeve van hoeveel ondernemers, ook omdat in het vastgestelde PUK juist is opgenomen dat juist het grote merendeel van de bedrijven op de locatie kan terugkeren?
  7. Indien voor specifieke bedrijven aan de Oude Haagweg daadwerkelijk verplichte compensatieruimte nodig is, acht het college het dan realistisch om deze compensatie afhankelijk te maken van de toekomstige beschikbaarheid van de GAVI-kavel? Zo ja, waarom?
  8. Kan het college eveneens toelichten welke planologische compensatieopgave voortvloeit uit de ontwikkelingen in Laakhavens, welke bedrijven dit betreft, of dit verplicht is en welke concrete ruimteclaim hiermee samenhangt?

Uitgiftestrategie GAVI-kavel en uitplaatsing bedrijven vanaf Westvlietweg
In de afdoening van de motie Voorrang bedrijven op vestiging GAVI-kavel (RIS323295) wordt verwezen naar het geamendeerde NVU GAVI-kavel 1B. Hierin wordt, net als in de motie, het college verzocht te onderzoeken onder welke voorwaarden HMC- en zwaartransportbedrijven zoals die van bedrijventerrein Westvlietweg III kunnen worden verplaatst naar de GAVI-kavel en de raad hierover te informeren. Het college gaf aan hierover een uitgiftestrategie op te stellen en de raad hier voor de zomer van 2026 over te informeren.

  1. Op welke wijze krijgt dit principe beslag in de nog op te stellen uitgiftestrategie voor de GAVI-kavel? En gaat het college en de raad hier voor de zomer van 2026 over informeren?
  2. Hoe verhoudt het opstellen van deze uitgiftestrategie zich tot de bewering van het college dat inmiddels een aanzienlijk deel van de beschikbare gronden is vergeven en dat sprake zou zijn van een tekort van circa 1,6 hectare?

Haags Cultuurlandschapspark
De gemeenteraad heeft in september de motie’ Haags Cultuurlandschapspark als basis voor het gebiedsprogramma’ (RIS323290) aangenomen. Tijdens de werkbespreking van 27 mei 2026 werd aangegeven dat het behoud van het Haags Cultuurlandschapspark niet uitsluit dat delen van het gebied een andere bestemming kunnen krijgen.

  1. Is het college het met de indieners eens dat met het verplaatsen van delen van het afvalcluster naar de Vlietzone het Haags Cultuurlanschapspark niet in stand wordt gehouden? Zo nee, waarom niet?
  2. Kan het college aangeven waarom de motie nog niet is afgedaan, terwijl de keuze voor de verplaatsing ernstige consequenties heeft voor de uitvoering van de motie?
  3. Hoe ziet het college voor zich alsnog recht te kunnen doen aan de motie RIS323290? Graag een toelichting.
  4. Hoe geeft het college uitvoering aan de oproep in de aangenomen motie waarin wordt verzocht ‘een fasering aan te brengen in de ontwikkeling van het bedrijventerrein Westvliet III, waarbij fase 1 het mogelijk maken van verplaatsing van HMC- en zwaartransportbedrijven betreft, fase 2 het revitaliseren van het bedrijventerrein en de opwaardering van de Westvlietweg naar 30 km per uur, fase 3 – mocht dat nodig blijken – de optie bevat om een uitbreiding van het terrein te onderzoeken’?

Groen, dieren en ecologisch onderzoek

  1. Kan het college aangeven hoeveel bomen er worden gekapt en hoeveel vierkante meters groen er verdwijnt bij het uitvoeren van de huidige voorkeursvariant van het verplaatsen van het afvalcluster en op welke wijze dit is meegewogen in de besluitvorming? Indien het niet exact bekend is, kan in elk geval een inschatting worden gemaakt?
  2. Kan het college aangeven welke diersoorten in het gebied aanwezig zijn, welke invloed de verplaatsing van het afvalcluster heeft op de leefomgeving van deze diersoorten, en hoe dit is meegewogen in de besluitvorming?
  3. Kan het college de uitgevoerde quickscan flora en fauna met de raad delen?

Governance, belangen en besluitvorming
Bij de toekomstvisie bedrijventerrein Westvlietweg III (RIS325198, Bijlage 5) zijn naast de gemeente Den Haag ook IPP Haaglanden, de Bedrijven Investeringen Zone Westvlietweg, Bedrijven Belangenvereniging Westvlietweg en de AMBOG Group betrokken.

  1. Hoe beoordeelt het college de onafhankelijkheid van een proces waarin partijen tegelijkertijd opdrachtgever, adviseur en direct belanghebbende zijn?
  2. Kan specifiek ingegaan worden op de betrokkenheid van de AMBOG Group? Waarom is hiervoor gekozen, en is er volgens het college sprake van substantieel financieel belang voor deze private partij bij uitbreiding van het bedrijventerrein? Is het college hiervan op de hoogte, zo niet, waarom niet? Kan dit toegelicht worden?
  3. Ziet het college risico’s rondom een evenwichtige belangenafweging wanneer private partijen met een direct financieel belang mede richting geven (financieel, als opdrachtgever, adviseur, en via een specifiek ingesteld projectgroep), ook aan ‘toekomstvisies’ die worden gebruikt als onderligger voor gebiedsontwikkeling? Zo ja, welke risico’s ziet het college?
  4. Welke rol heeft IPP Haaglanden gespeeld bij de totstandkoming van de toekomstvisie bedrijventerrein Westvlietweg III? Hoe verhoudt deze rol zich tot het door de raad aangenomen amendement J.A D66 (bij RIS314962) en de door de raad aangenomen motie (RIS315663) waarin uitbreiding van het werkingsgebied van IPP juist is begrensd?
  5. Welke formele status kent het college toe aan de toekomstvisie bedrijventerrein Westvlietweg III (RIS325198, Bijlage 5)? Waarom wordt deze niet door de raad vastgestelde visie nadrukkelijk betrokken bij de besluitvorming door het college, terwijl het door de raad expliciet omarmde Haags Cultuurlandschapspark niet terugkomt in de onderliggende afwegingen?

Netcongestie
In de rapportage over netcongestie (RIS325229) wordt aangegeven dat nieuwe gebiedsontwikkelingen met bedrijfsfuncties (waar geen bestaande aansluitingen zijn) mogelijk stil komen te liggen. Denk aan Gavi-Kavel, Westvlietweg, verdichting bedrijventerreinen en Noordelijk Havenhoofd. 

  1. In hoeverre houdt de gemeente bij de keuzes rond het verplaatsen van het afvalcluster rekening met netcongetie?
  2. Wanneer moet de aansluiting van het afvalcluster op stroom gereed zijn en wanneer is de netcongestie aan de Westvlietweg geen probleem meer?

Avalex, HMS en afvalbrengstations (ABS)
In de motie van 27 mei 2026 van de gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg wordt verzocht samenwerking tussen Avalex en HMS te bewerkstelligen, in ieder geval voor de Avalex locatie aan de Laan van ‘s Gravenmade.

  1. Is het college bereid om deze samenwerking te onderzoeken? Zo ja, kan de raad over de uitkomsten worden geïnformeerd, voordat verdere stappen worden genomen in de verplaatsing van delen van het afvalcluster. Zo nee, waarom niet?
  2. Kan het college inzicht geven voor welke gebruikersgroepen het afvalbrengstation aan de Supernovaweg primair bedoeld is?
  3. Kan het college een overzicht geven van alle huidige afvalbrengstations binnen Den Haag, inclusief hun functie en verzorgingsgebied?
  4. Voor welke gebruikers, functies en afvalstromen is het in de voorkeursvariant voorgestelde grootschalige afvalbrengstation bedoeld?

Overige onderzoek, provinciale richtlijnen, alternatief A12-parallelweg

Het Haskoning rapport onderzoek concentreerde zich op de gehele verplaatsing van het afvalcluster, de voorkeursvariant voor het opdelen en verplaatsen is niet door hen onderzocht. In de voorkeursvariant voor de verplaatsing en transformatie van het afvalcluster Binckhorst (RIS325011) blz. 4 staat dat er aanvullend onderzoek is gedaan. 

  1. Kan het college aangegeven wat de exacte onderzoeksopdracht was van dat aanvullende onderzoek, wie heeft het onderzoek uitgevoerd en door wie zijn welke conclusies hier aan verbonden? Kan het onderzoek gedeeld worden?

Ook vanuit de provincie worden er bijvoorbeeld middels het Toekomstbeeld Ambitiedocument Vlietzone en vanuit de Provinciale Staten richtlijnen voor het gebied gesteld, zoals onder andere dat er sprake moet zijn van Vlietwaardige ontwikkelingen. 

  1. Hoe verhoudt het college zich tot de richtlijnen vanuit de provincie, zoals bijvoorbeeld Provinciale Staten Motie 1169, waarin wordt uitgesproken dat HMC- en zwaartransportbedrijven niet passen in het beeld ‘Vlietwaardig’, waardoor uitplaatsing voor deze categorie noodzakelijk is?

Het Antea-onderzoek noemt het alternatief langs de A12-parallel als niet mogelijk vanwege beperkte ruimte en bezwaren van Rijkswaterstaat (bijvoorbeeld een ingebrachte zienswijze).

  1. Kan het college nader toelichten waarop deze conclusie precies is gebaseerd? Welke fysieke beperkingen maken volgens het college gebruik van de ruimte onder en nabij het Prins Clausplein onmogelijk, waar de Spoorlaan al ligt en doorloopt naar TNO en als zodanig door vrachtverkeer nu al wordt gebruikt?
  2. Kan het college de bezwaren van Rijkswaterstaat tegen dit alternatief nader specificeren? Waarop zijn deze bezwaren tegen de verbreding gebaseerd? Kan het college de betreffende zienswijze van Rijkswaterstaat (op de NRD gebiedsprogramma Vlietzone of andere relevante zienswijzes), en ten minste het deel dat betrekking heeft op het A12-parallelalternatief, met de raad te delen?
  3. Kan het college toelichten hoe de cumulatieve effecten van de voorkeursvariant in samenhang met de omliggende snelwegenstructuur en de voorgenomen verbreding van de A4 binnen de geldende milieunormen kunnen blijven?
  4. Hoe wordt de aangekondigde second opinion op het A12-parallelalternatief onafhankelijk vormgegeven, welke onderzoeksvragen worden meegegeven en op welke wijze wordt de raad meegenomen bij de opdrachtformulering?
  5. Is het college bereid om een brede stakeholderdialoog te organiseren, waarbij bewoners (in Den Haag én Leidschendam-Voorburg), onderzoekers, bedrijven, gemeenten en provincie de ruimte krijgen om buiten de vaste kaders naar oplossingen te zoeken?


Diego Demaree        Judith Klokkenburg    Tijmen van Wijngaarden Mylène Tabernal
Partij voor de Dieren    ChristenUnie/SGP    SP             VOLT