Schrif­te­lijke vragen honden­be­lasting


Den Haag, 9 januari 2013

Aan de voorzitter van de gemeenteraad,

Wederom bleek vorige week dat de hondenbelasting in Den Haag vergeleken met andere gemeenten enorm hoog is. De opbrengsten van deze belasting gaan naar de algemene middelen. Een gat in de gemeentelijke begroting wordt dus door een select deel van de bevolking gedekt. Voor geen enkel ander huisdier hoeft men in Nederland belasting te betalen.

Mede hierom is in verschillende gemeenten de hondenbelasting dan ook afgeschaft. Ondergetekende stelt - onder verwijzing naar artikel 38 van het Reglement van Orde - de volgende vragen:

1. Hoe verhoudt zich het streven van het college tot lage gemeentelijke lasten zich tot de hoge hondenbelasting in Den Haag? De hondenbelasting is primair bedoeld om (algemene) inkomsten te verwerven.

2. Op basis van wat is de belasting voor de eerste hond op € 111,96 euro vastgesteld? In Den Haag zijn bijvoorbeeld de tarieven van een tweede en derde en volgende hond fors hoger dan het tarief voor de eerste hond met als doel het aantal honden te beperken.

3. Kan het college aangeven of de hoge belasting van € 175,44 en € 222,48 voor de tweede en derde hond, inderdaad tot dit effect heeft geleid? Zo neen, rechtvaardigt het college deze hoge tarieven nog steeds met dit uitgangspunt?

4. De verhouding tussen de kosten van het innen van de belasting bij de afdeling Belastingzaken (perceptiekosten) en de opbrengsten zijn 13,5%. Klopt het dat andere afdelingen echter ook nog kosten maken, bijvoorbeeld bij de controle en handhaving? Zo ja, kan het college deze kostenposten noemen en een schatting van de bedragen geven?

5. Acht het college het eerlijk en rechtvaardigd dat een select deel van de bevolking een aanzienlijke gemeentelijke heffing moet betalen op basis van verouderde regelgeving , ten behoeve van de algemene middelen? Zo ja, kan het college dat toelichten?

6. Is het college gezien het voorgaande bereid met een voorstel te komen om de hondenbelasting af te schaffen?


Marieke de Groot
Partij voor de Dieren

Chris van der Helm
Partij voor de Vrijheid

Joris Wijsmuller
Haagse Stadspartij

Sandra Abbenhuis
Politieke Partij Scheveningen

Antwoorddatum: 12 feb. 2013

De raadsleden de dames M.J.E. de Groot en A. Abbenhuis en de heren J.C. van der Helm en G.H.M. Wijsmuller hebben op 9 januari 2013 een brief met daarin zes vragen aan de voorzitter van de gemeenteraad gericht. Overeenkomstig artikel 38 van het reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad, beantwoordt het college deze vragen als volgt.

Wederom bleek vorige week dat de hondenbelasting in Den Haag vergeleken met andere gemeenten enorm hoog is. De opbrengsten van deze belasting gaan naar de algemene middelen. Een gat in de gemeentelijke begroting wordt dus door een select deel van de bevolking gedekt. Voor geen enkel ander huisdier hoeft men in Nederland belasting te betalen. Mede hierom is in verschillende gemeenten de hondenbelasting dan ook afgeschaft.


1. Hoe verhoudt zich het streven van het college tot lage gemeentelijke lasten zich tot de hoge hondenbelasting in Den Haag?

De hondenbelasting is primair bedoeld om (algemene) inkomsten te verwerven.


2. Op basis van wat is de belasting voor de eerste hond op € 111,96 euro vastgesteld?

Het college heeft de ambitie om ten aanzien van de gemeentelijke woonlasten tot de top 3 te (blijven) behoren van de goedkoopste grote gemeenten. Tot de woonlasten behoren de ozb voor de eigenaar van een woning, de rioolheffing en de afvalstoffenheffing.

Uit het overzicht Kerngegevens belastingen grote gemeenten van het COELO blijkt overigens dat Den Haag in 2013 - na Alkmaar en Tilburg - de goedkoopste grote gemeente is als het gaat om de woonlasten. De doelstelling is daarmee voor 2013 gehaald.

De gemeenteraad heeft in 2004 besloten de tarieven van de hondenbelasting met ingang van 2005 naast de trendmatige verhoging van 0,8% extra te verhogen. De extra verhoging had alleen betrekking op het tarief van de eerste en de tweede hond.

Door deze verhoging steeg in 2005 het tarief voor de eerste hond naar
€ 106,80. Na 2005 is er nog slechts één trendmatige aanpassing geweest (2009: + 4,88%).

In Den Haag zijn bijvoorbeeld de tarieven van een tweede en derde en volgende hond fors hoger dan het tarief voor de eerste hond met als doel het aantal honden te beperken.

3. Kan het college aangeven of de hoge belasting van € 175,44 en € 222,48 voor de tweede en derde hond, inderdaad tot dit effect heeft geleid? Zo neen, rechtvaardigt het college deze hoge tarieven nog steeds met dit uitgangspunt?

De inzet was dat tariefdifferentiatie een regulerende werking heeft. Onduidelijk is in hoeverre hondenbezitters hun afwegingen laten afhangen van de hoogte van de hondenbelasting. De verwachting is wel dat dit tot een regulering leidt. Bij bezit van meerdere honden stijgt het te betalen bedrag immers fors. Dat is nodig om de hondenoverlast te beperken. In de stadsenquête staat hondenpoep al jaren in de top drie van ergernissen van onze inwoners. Deze overlast zorgt ervoor dat mensen hun leefomgeving als minder prettig ervaren.


4. De verhouding tussen de kosten van het innen van de belasting bij de afdeling Belastingzaken (perceptiekosten) en de opbrengsten zijn 13,5%.
Klopt het dat andere afdelingen echter ook nog kosten maken, bijvoorbeeld bij de controle en handhaving? Zo ja, kan het college deze kostenposten noemen en een schatting van de bedragen geven?

Nee, als het gaat om de uitvoering van de hondenbelasting dan gaat het alleen om de kosten van de Dienst Publiekszaken/Belastingzaken. Het gaat dan om de kosten van het heffen en innen van de hondenbelasting en de kosten van de huis-aan-huis-controles op het bezit van honden. Dit zijn de zogeheten perceptiekosten. De kosten van handhaving van de regels van het honden-beleid, zoals de handhaving op de opruim- en aanlijnplicht, behoren formeel niet tot de perceptiekosten. Uit de literatuur volgt dat alleen de kosten die een direct verband hebben met de heffing of invordering van de belasting tot de perceptiekosten behoren. Bij de kosten van het hondenbeleid is er geen direct verband met de heffing of invordering.


5. Acht het college het eerlijk en rechtvaardigt dat een select deel van de bevolking een aanzienlijke gemeentelijke heffing moet betalen op basis van verouderde regelgeving, ten behoeve van de
algemene middelen? Zo ja, kan het college dat toelichten?

De opbrengsten hondenbelasting behoren tot de algemene middelen van de gemeente. Daaruit en uit de opbrengst van andere belastingen en uitkeringen van het Rijk worden heel veel voorzieningen in de gemeente betaald. Hiertoe behoren ook voorzieningen die ten goede komen aan de honden(bezitters) en aan maatregelen om de overlast door honden terug te dringen.

Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan:
• aanschaf en onderhoud van hondenpoepbakken,
• plaatsing van bebording,
• aanschaf en bemensing van de hondenpoepzuigers,
• communicatie over het hondenbeleid en
• handhaving van de regels van het hondenbeleid.


6. Is het college gezien het voorgaande bereid met een voorstel te komen om de hondenbelasting af te schaffen?

Nee. De hondenbelasting levert de gemeente jaarlijks een bedrag op van netto ruim € 1,8 mln. Daarmee is de hondenbelasting een belangrijke inkomstenbron. Afschaffing van deze belasting betekent dat er een tekort in de begroting ontstaat. Daar is op dit moment geen dekking voor.


Het college van burgemeester en wethouders,

de locoburgemeester,
Marnix Norder

de secretaris,
Annet Bertram

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer