Schrif­te­lijke vragen inven­ta­ri­satie klimaat­ri­sico’s beleg­gingen Den Haag


Aan de voorzitter van de gemeenteraad,

Onduidelijk is welke fossiele voorraden van welke fossiele energiebedrijven nog gedolven zullen worden en welke niet. Daarom kan de markt de waarde van individuele financiële producten die verbonden zijn aan de fossiele industrie (kolen, olie, gas en schaliegas) niet goed inschatten.

Wel is duidelijk dat er op de totale waarde van die financiële producten zal moeten worden afgeboekt om de klimaatdoelstellingen te halen.[1] Carbontracker.org heeft bijvoorbeeld becijferd dat wereldwijd afboekingen gerealiseerd moeten worden ter waarde van meer dan 2000 miljard euro voor een beperking tot 2,0 graden. Voor de doelstelling van 1,5 graden is dit nog veel meer.

In Parijs is wereldwijd afgesproken dat geldstromen moeten worden omgebogen om ze in overeenstemming te brengen met de doelstellingen uit het akkoord. Het is dus geen vraag of financiële producten moeten worden afgeboekt, maar wanneer. Banken die betrokken zijn bij de financiering van de fossiele industrie lopen daarbij grote risico's.

Inmiddels is er onder aanvoering van FossilFree.org een wereldwijde beweging op gang gekomen om te desinvesteren in fossiele energiebedrijven. In Den Haag wordt deze beweging vertegenwoordigd door Den Haag FossielVrij. Deze wereldwijde beweging vergroot het bewustzijn over de risico’s van fossiele investeringen, waardoor de markt versneld reageert.

Onder verwijzing naar artikel 30 van het Reglement van Orde stellen Partij voor de Dieren, Haagse Stadspartij, PvdA, D66, GroenLinks en SP de volgende vragen:

1. Is het college bekend met het initiatief Den Haag Fossielvrij en de brief die deze organisatie eerder dit jaar heeft aangeboden aan de burgemeester?[2] Zo ja, wat is de reactie van het college op de brief?

In antwoord op de eerdere schriftelijke vragen geeft het college aan dat Fonds Uiver 2006 een belegging is van de gemeente.[3] Vanuit dit fonds wordt geld belegd bij de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG) en de banken Lloyds/Bank of Scotland en Royal Bank of Scotland (RBS), die onder andere investeren in de fossiele industrie.[4] De beleggingen bij Lloyds/Bank of Scotland lopen af op 18 maart 2030, de beleggingen bij RBS in september 2021.

2. Onderkent het college het risico van afname van de waarde van de financiële producten binnen Fonds Uiver 2006? Zo ja, acht het college het verstandig deze financiële producten aan te houden? Zo nee, wanneer denkt het college dat dit risico reëel wordt?

3. Als het college dit risico op een later moment reëel acht, deelt het college dan onze mening dat de waarde van de financiële producten zal dalen naarmate meer partijen deze risico's op termijn reëel achten? Bij welke waardedaling acht het college het verstandig de financiële producten te verkopen?

4. Hoeveel tijd zit er tussen een beslissing tot verkopen van het college, en de daadwerkelijke verkoop?

Wanneer de obligaties in het fonds tot einde looptijd worden aangehouden, is de marktwaarde niet relevant. Wanneer het college het reëel acht dat tussen nu en einde looptijd tot verkoop van obligaties zou kunnen worden besloten, is de marktwaarde wel belangrijk. Het is dan verstandig deze obligaties bij een hoge marktwaarde te verkopen.

In het algemeen stijgt de marktwaarde van bestaande obligaties wanneer de rente daalt. In het algemeen daalt de marktwaarde van bestaande obligaties wanneer er een risico ontstaat dat uitbetaling van de hoofdsom niet gebeurt.

5. Welke ontwikkeling van de marktwaarde verwacht het college van de obligatie Lloyds/Bank of Scotland, en waarom? Welke ontwikkeling van de marktwaarde verwacht het college van de obligatie Royal Bank of Scotland, en waarom?

Naast de afweging van financiële risico’s is er ook een politieke keuze mogelijk om als gemeente geen financiële producten te willen aanhouden die gelinkt zijn aan de fossiele industrie. Voor zo’n politieke keuze is inzicht in en afweging van de consequenties van zo'n keuze belangrijk.

Wanneer de gemeente de obligaties van Lloyds/Bank of Scotland en Royal Bank of Scotland verkoopt, wordt direct een boekwinst gerealiseerd. Deze boekwinst gaat gepaard met verlies van rente-inkomsten in de toekomst.

6. Welke bedragen aan rente-inkomsten lopen we in welke jaren mis? Welke rente kunnen we op de markt krijgen wanneer we de hoofdsom én de gerealiseerde boekwinst tegen dezelfde termijnen uitlenen om de energietransitie te versnellen? Welke rente kunnen we besparen wanneer we de hoofdsom én de gerealiseerde boekwinst gebruiken om leningen af te lossen?

Binnen Fonds Uiver 2006 is veruit het grootste deel van de obligaties (82%) van de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG). De BNG verstrekt direct alleen financieringen aan (semi-) overheden.

7. Kan het college aangeven in welke fossiele (semi-) overheidsprojecten de BNG investeert? Is het college bereid een garantie te vragen aan BNG dat beleggingen van de gemeente via Fonds Uiver 2006 niet in fossiele projecten geïnvesteerd worden?

9. Is het college bereid als grote gemeente bij de BNG te lobbyen om zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen vijf jaar, over te stappen op investeringen in enkel niet-fossiele (semi-) overheidsprojecten? Zo nee, waarom niet?

10. Is het college bereid er bij de BNG op aan te dringen geen nieuwe investeringen te doen in de fossiele industrie, zodat ook de gemeente Den Haag niet indirect bijdraagt aan de fossiele industrie? Indien nee, waarom niet?

De pensioenfondsen lopen volgens DNB het grootste gevaar dat zij waarde verliezen. Zij hebben ongeveer 5,4 procent van hun vermogen in fossiele brandstoffen belegd.[5] De gemeente is bij wet verplicht aangesloten bij ABP.[6]

In een brief d.d. 20 januari 2016[7] antwoordt het college van Amsterdam op de brandbrief, ondertekend door Amsterdam Fossielvrij, wetenschappers en bekende Amsterdammers, dat de gemeentelijke werkgevers als sector vertegenwoordigd zijn in het ABP Verantwoordingsorgaan (VO) waarin ook werknemers en gepensioneerden zijn vertegenwoordigd. Dat VO adviseert het ABP bestuur onder andere over het beleggingsbeleid. Het Amsterdamse college schrijft dat ABP alleen nog in bedrijven belegt die nog niet aan de duurzaamheidseisen voldoen als deze bevrijden aantonen dat zij bereid zijn alsnog op het juiste niveau te komen.

11. Is het college met de indieners van mening dat ABP alleen bij niet-fossiele bedrijven zou moeten beleggen?

Het college van Amsterdam vraagt aan ABP in het jaarverslag duidelijk te rapporteren over de waarde van de beleggingen in de energieportefeuille, uitgesplitst naar olie, (schalie-)gas, kolen, nucleair en duurzame bronnen, om zich verder terug te trekken uit fossiele industrie, te beginnen met kolen, nucleair en schaliegas, en een doelstelling voor de lange termijn te hanteren die in lijn is met de Europese ambities om in 2050 80-95% minder CO2 uit te stoten dan in 1990.

12. Onderkent het college het risico van afname van de waarde van de financiële producten van ABP? Zo ja, acht het college het verstandig deze financiële producten aan te houden?

13. Kan het college aangeven wat het financieel risico is van het onderbrengen van de pensioenen van de gemeentelijke ambtenaren bij ABP in relatie tot de fossiele investeringen van dit pensioenfonds?

14. Is het college bereid het ABP op te roepen niet meer te investeren in de fossiele industrie en zich daarmee als werkgever aan te sluiten bij de groeiende groep pensioendeelnemers die het ABP oproepen uit olie, kolen en gas te stappen?[8]

Christine Teunissen Joeri Oudshoorn Lobke Zandstra
Partij voor de Dieren Haagse Stadspartij PvdA

Arjen Kapteijns Anne Toeters Bart van Kent GroenLinks D66 SP

[1] o.a. http://www.theguardian.com/environment/2015/mar/03/bank-of-england-warns-of-financial-risk-from-fossil-fuel-investments; http://www.nrc.nl/handelsblad/2016/03/04/dnb-nederlandse-economie-moet-af-van-kolen-olie-1598050

[2] http://media.wix.com/ugd/208e6e_4eaef519aefc47728e2dd39ba6380478.pdf

[3] https://denhaag.raadsinformatie.nl/modules/4/schriftelijke_vragen/118811

[4]https://www.theguardian.com/environment/2015/may/16/how-to-divest-your-bank-account-of-fossil-fuels

[5]https://www.nrc.nl/nieuws/2016/03/04/dnb-klimaat-vraagt-geweldige-inspanning-1594410-a1377339

[6] http://wetten.overheid.nl/BWBR0007791/2016-03-01#Paragraaf1_Artikel2, Artikel, 2.1.a

[7] http://www.amsterdamfossielvrij.nl/wp-content/uploads/2016/02/brf-college-antwoord-ff020-Jan2016.pdf

[8] http://www.trouw.nl/tr/nl/34921/Groen-Pensioen/article/detail/4044377/2015/06/01/Nederlanders-bereid-meer-te-betalen-voor-groen-pensioen.dhtml

Antwoorddatum: 23 sep. 2016

De raadsleden, de dames Teunissen, Zandstra, Toeters en de heren Oudshoorn, Kapteijns en Van Kent hebben op 20 september 2016 een brief met daarin veertien vragen aan de voorzitter van de gemeenteraad gericht.
Overeenkomstig artikel 30 van het reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad, beantwoordt het college deze vragen als volgt.

Onduidelijk is welke fossiele voorraden van welke fossiele energiebedrijven nog gedolven zullen worden en welke niet. Daarom kan de markt de waarde van individuele financiële producten die verbonden zijn aan de fossiele industrie (kolen, olie, gas en schaliegas) niet goed inschatten. Wel is duidelijk dat er op de totale waarde van die financiële producten zal moeten worden afgeboekt om de klimaatdoelstellingen te halen. Carbontracker.org heeft bijvoorbeeld becijferd dat wereldwijd afboekingen gerealiseerd moeten worden ter waarde van meer dan 2000 miljard euro voor een beperking tot 2,0 graden. Voor de doelstelling van 1,5 graden is dit nog veel meer.

In Parijs is wereldwijd afgesproken dat geldstromen moeten worden omgebogen om ze in overeenstemming te brengen met de doelstellingen uit het akkoord. Het is dus geen vraag of financiële producten moeten worden afgeboekt, maar wanneer. Banken die betrokken zijn bij de financiering van de fossiele industrie lopen daarbij grote risico's.

Inmiddels is er onder aanvoering van FossilFree.org een wereldwijde beweging op gang gekomen om te desinvesteren in fossiele energiebedrijven. In Den Haag wordt deze beweging vertegenwoordigd door Den Haag FossielVrij. Deze wereldwijde beweging vergroot het bewustzijn over de risico’s van fossiele investeringen, waardoor de markt versneld reageert.

1. Is het college bekend met het initiatief Den Haag Fossielvrij en de brief die deze organisatie eerder dit jaar heeft aangeboden aan de burgemeester? Zo ja, wat is de reactie van het college op de brief?

Ja, in reactie op de brief is er telefonisch contact geweest met Den Haag Fossielvrij. Er is besproken dat het te kort dag was om in de eerstvolgende bijeenkomst van het Parliament of Mayors een Fossielvrij verklaring aan de orde te brengen.

In antwoord op de eerdere schriftelijke vragen geeft het college aan dat Fonds Uiver 2006 een belegging is van de gemeente. Vanuit dit fonds wordt geld belegd bij de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG) en de banken Lloyds/Bank of Scotland en Royal Bank of Scotland (RBS), die onder andere investeren in de fossiele industrie. De beleggingen bij Lloyds/Bank of Scotland lopen af op 18 maart 2030, de beleggingen bij RBS in september 2021.

2. Onderkent het college het risico van afname van de waarde van de financiële producten binnen Fonds Uiver 2006? Zo ja, acht het college het verstandig deze financiële producten aan te houden? Zo nee, wanneer denkt het college dat dit risico reëel wordt?

Ja, maar het college schat dit risico vooral in als theoretisch, daar het zich slechts voordoet bij faillissement van één van de instellingen waarbij producten zijn afgenomen. De obligaties zijn aangekocht om aan te houden tot einde looptijd (Buy and Hold), conform de gemeentelijke liquiditeitenplanning. Daarbij is een bepaald rendement ingecalculeerd, onafhankelijk van tussentijdse koersbewegingen. Het college speculeert niet op eventuele toekomstige rente- en koersbewegingen.

De obligatie van Royal Bank of Scotland is inmiddels (22 september 2016) afgelost. De gemeente heeft ruim € 18 miljoen op haar bankrekening ontvangen. De bank heeft gebruik gemaakt van haar recht van tussentijdse vervroegde aflossing (call date) van de obligatie. Hiermee is rekening gehouden in zowel de gemeentelijke begroting als in de liquiditeitsprognose. De reden voor vervroegde aflossing is dat de bank zich in de huidige markt goedkoper kan financieren dan de rente op de obligatie (4,625%).

Daarmee resteren nog twee instellingen, de BNG en Lloyds Bank. De kans op een faillissement van de BNG is vrijwel nihil. Lloyds Bank is een systeembank en heeft de kredietcrisis goed doorstaan. Zij heeft prima credit ratings (S&P’s: A (stable outlook), Moody’s: A1 (positive outlook) en Fitch: A+ (stable outlook)). De kans dat Lloyds in de financiële problemen komt is ook bijzonder klein. Fonds Uiver heeft een achtergestelde obligatie van Lloyds in bezit.


3. Als het college dit risico op een later moment reëel acht, deelt het college dan onze mening dat de waarde van de financiële producten zal dalen naarmate meer partijen deze risico's op termijn reëel achten? Bij welke waardedaling acht het college het verstandig de financiële producten te verkopen?

Nee. Het college kan niet de ontwikkelingen op de financiële markten voorspellen en ook niet het gedrag van andere beleggers voorspellen. Het college voert een consistent beleid, gebaseerd op liquiditeitsprognoses. Gezien dat de obligaties zijn aangekocht om aan te houden tot einde looptijd en dat aan het einde van de looptijd, ongeacht alle tussentijdse koersbewegingen, altijd de nominale hoofdsom (inclusief rente) wordt uitgekeerd, acht het college het niet verstandig de financiële producten te verkopen.

4. Hoeveel tijd zit er tussen een beslissing tot verkopen van het college, en de daadwerkelijke verkoop?

Nadat een eventueel besluit tot verkoop is genomen en de vermogensbeheerder is ingelicht, kunnen de obligaties binnen enkele weken worden verkocht.

Wanneer de obligaties in het fonds tot einde looptijd worden aangehouden, is de marktwaarde niet relevant. Wanneer het college het reëel acht dat tussen nu en einde looptijd tot verkoop van obligaties zou kunnen worden besloten, is de marktwaarde wel belangrijk. Het is dan verstandig deze obligaties bij een hoge marktwaarde te verkopen. In het algemeen stijgt de marktwaarde van bestaande obligaties wanneer de rente daalt. In het algemeen daalt de marktwaarde van bestaande obligaties wanneer er een risico ontstaat dat uitbetaling van de hoofdsom niet gebeurt.

5. Welke ontwikkeling van de marktwaarde verwacht het college van de obligatie Lloyds/Bank of Scotland, en waarom? Welke ontwikkeling van de marktwaarde verwacht het college van de obligatie Royal Bank of Scotland, en waarom?

Het college houdt de huidige ontwikkelingen op de financiële markten scherp in de gaten. De ontwikkelingen op langere termijn zijn door het college echter niet te voorspellen.

De beweeglijkheid en de onvoorspelbaarheid van de rentestand en de koers van de obligaties zijn factoren waarop de gemeente geen invloed kan uitoefenen. De vermogensbeheerder van de gemeente monitort continue de ontwikkelingen op de financiële markten. Zij geeft verwachtingen af, maar deze bieden uiteraard geen garantie.


Naast de afweging van financiële risico’s is er ook een politieke keuze mogelijk om als gemeente geen financiële producten te willen aanhouden die gelinkt zijn aan de fossiele industrie. Voor zo’n politieke keuze is inzicht in en afweging van de consequenties van zo'n keuze belangrijk. Wanneer de gemeente de obligaties van Lloyds/Bank of Scotland en Royal Bank of Scotland verkoopt, wordt direct een boekwinst gerealiseerd. Deze boekwinst gaat gepaard met verlies van rente-inkomsten in de toekomst.

6. Welke bedragen aan rente-inkomsten lopen we in welke jaren mis? Welke rente kunnen we op de markt krijgen wanneer we de hoofdsom én de gerealiseerde boekwinst tegen dezelfde termijnen uitlenen om de energietransitie te versnellen? Welke rente kunnen we besparen wanneer we de hoofdsom én de gerealiseerde boekwinst gebruiken om leningen af te lossen?

De Lloyds 4,5% obligatie met einddatum 18 maart 2030 en een nominale waarde van € 26,3 miljoen kan momenteel verkocht worden tegen een koers van circa 110,75% (de koers is indicatief, omdat de obligatie in deze omvang waarschijnlijk niet in één keer verhandelbaar is). Dit betekent dat de marktwaarde circa € 29,1 miljoen bedraagt. De koerswinst bedraagt circa € 2,8 miljoen
(€ 29,1 minus € 26,3).


Jaarlijks ontvangt de gemeente circa € 1,2 miljoen (structureel). Deze obligatie mag door Lloyds tussentijds, in 2025, vervroegd afgelost worden. Met deze datum is zowel in de begroting als in de liquiditeitsprognose rekening gehouden. De obligatie loopt dus minstens nog 9 jaren (periode 2017-2025). De gederfde toekomstige rente bij verkoop bedraagt circa € 10,8 miljoen. Het vroegtijdig afbreken van de obligatie kost de gemeente dus circa € 8 miljoen.

Bij de koers van 110,75% bedraagt het resterende effectieve rendement (totdat de obligatie aflost in 2025) nog zo’n 3,04% per jaar, wat substantieel hoger is dan wat de gemeente via de schatkist ontvangt (circa 0%). Min of meer vergelijkbare uitzettingen leveren momenteel aanzienlijk minder op: te denken valt aan obligaties van de Rabobank (effectief rendement van circa 0,60%) of van de NWB (effectief rendement van circa 0,10%). De rendementen kunnen iets omhoog als in risicovollere obligaties wordt belegd (natuurlijk binnen de grenzen van de Wet fido).

Het college vindt het niet verantwoord om (met de € 29,1 miljoen) huidige langlopende leningen (met zeer lage rentes) vervroegd af te lossen. De gemeente heeft namelijk een permanent liquiditeitstekort. Bij vervroegde aflossing zal het tekort iets lager uitvallen. Momenteel kunnen langlopende leningen (20 jaar lineair) aangetrokken worden tegen circa 1,00%. De besparing door het inzetten van de opbrengst uit de verkoop van het fonds Uiver voor het liquiditeitstekort is dus lager dan het verlies aan rendement.

Binnen Fonds Uiver 2006 is veruit het grootste deel van de obligaties (82%) van de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG). De BNG verstrekt direct alleen financieringen aan (semi-) overheden.

7. Kan het college aangeven in welke fossiele (semi-) overheidsprojecten de BNG investeert? Is het college bereid een garantie te vragen aan BNG dat beleggingen van de gemeente via Fonds Uiver 2006 niet in fossiele projecten geïnvesteerd worden?

Nee. De BNG Bank doet geen uitlatingen over individuele uitzettingen.

Meer informatie is te vinden via:
1. https://www.bngbank.nl/mvo en 2
2. https://www.bngbank.nl/Documen... JV15%20GRI%20Index%20BNG%20Bank%202015.PDF.


Wanneer duidelijk is wat exact onder fossiele projecten wordt verstaan is het college bereid een garantie te vragen aan de BNG dat beleggingen in Fonds Uiver niet in fossiele projecten geïnvesteerd worden.

BNG Bank heeft zogenaamde ‘green bonds’ uitgegeven. De middelen die op deze manier zijn aangetrokken, zijn geoormerkt. Dat geldt niet voor de overige leningen.


8. Er is geen vraag 8 gesteld door de raadsleden.

9. Is het college bereid als grote gemeente bij de BNG te lobbyen om zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen vijf jaar, over te stappen op investeringen in enkel niet-fossiele (semi-) overheidsprojecten? Zo nee, waarom niet?

Ook hierbij geldt dat de definitie van “investeringen” en “fossiele (semi-) overheidsprojecten” duidelijk dient te zijn. Zodra we als gemeente helder hebben wat we daar onder verstaan en tot waar in de keten wij verantwoordelijkheid eisen van de bank (in dit geval de BNG Bank), kan dit zeker ter sprake worden gebracht.

10. Is het college bereid er bij de BNG op aan te dringen geen nieuwe investeringen te doen in de fossiele industrie, zodat ook de gemeente Den Haag niet indirect bijdraagt aan de fossiele industrie? Indien nee, waarom niet?

Ook hiervoor geldt dat we eerst de definities moeten vaststellen. Hoe classificeren we bijvoorbeeld een lening aan een netwerkbedrijf dat energie levert? Zodra definities duidelijk zijn en helder is wat we verwachten van een bank, dan kunnen we daar zeker over in gesprek gaan.
De pensioenfondsen lopen volgens DNB het grootste gevaar dat zij waarde verliezen. Zij hebben ongeveer 5,4 procent van hun vermogen in fossiele brandstoffen belegd. De gemeente is bij wet verplicht aangesloten bij ABP.


In een brief d.d. 20 januari 20167 antwoordt het college van Amsterdam op de brandbrief, ondertekend door Amsterdam Fossielvrij, wetenschappers en bekende Amsterdammers, dat de gemeentelijke werkgevers als sector vertegenwoordigd zijn in het ABP Verantwoordingsorgaan (VO) waarin ook werknemers en gepensioneerden zijn vertegenwoordigd. Dat VO adviseert het ABP bestuur onder andere over het beleggingsbeleid. Het Amsterdamse college schrijft dat ABP alleen nog in bedrijven belegt die nog niet aan de duurzaamheidseisen voldoen als deze bedrijven aantonen dat zij bereid zijn alsnog op het juiste niveau te komen.

11. Is het college met de indieners van mening dat ABP alleen bij niet-fossiele bedrijven zou moeten beleggen?

Ja, het college ziet graag dat het ABP niet meer in fossiel investeert, met uitzondering van bedrijven die geloofwaardig bezig zijn met het naar nul afbouwen van hun fossiele activiteiten. De overgang moet wel zodanig vorm krijgen dat de pensioenen daar geen extra risico’s van ondervinden. Indien het een risicovermindering betreft, zoals Fossielvrij aangeeft, is het college groot voorstander van het verminderen van de fossiele investeringen.

Het college van Amsterdam vraagt aan ABP in het jaarverslag duidelijk te rapporteren over de waarde van de beleggingen in de energieportefeuille, uitgesplitst naar olie, (schalie-)gas, kolen, nucleair en duurzame bronnen, om zich verder terug te trekken uit fossiele industrie, te beginnen met kolen, nucleair en schaliegas, en een doelstelling voor de lange termijn te hanteren die in lijn is met de Europese ambities om in 2050 80-95% minder CO2 uit te stoten dan in 1990.

12. Onderkent het college het risico van afname van de waarde van de financiële producten van ABP? Zo ja, acht het college het verstandig deze financiële producten aan te houden?

Ja, het college onderkent dit risico. Tegelijkertijd wil het college de verantwoordelijkheid voor de waarde van financiële producten en de bijbehorende risico’s daar laten waar ze is belegd, namelijk bij het ABP zelf en bij de daarvoor ingestelde controleorganen.

ABP zegt zelf over dit onderwerp: “Met betrekking tot de waardering van energiebedrijven moet het risico in aanmerking worden genomen dat in een transitiescenario niet alle wereldwijde kolen-, olie- en gasreserves kunnen worden geproduceerd en verbruikt. Er zullen wat dit betreft winnaars en verliezers zijn en de balans zal voor ieder bedrijf anders uitvallen, maar over het algemeen denken wij dat het effect hiervan op aandelenkoersen in veel gevallen te overzien is. De waarderingen van kolenconcerns, die verreweg het grootste gedeelte van de reserves vertegenwoordigen, lijken geen volledige benutting van de reserves te verdisconteren. De waarderingen van westerse olie- en gasmaatschappijen lijken wel volledige exploitatie van de reserves te hebben ingeprijsd, echter op het huidige productieniveau zijn die reserves waarschijnlijk al lang verbruikt voordat de vraag verdwenen is. Dit komt mede doordat de marginale productiekosten voor deze grotendeels reeds producerende olie- en gasvelden erg laag zijn.” (https://www.abp.nl/images/technische-bijlage-klimaatverandering.pdf)


13. Kan het college aangeven wat het financieel risico is van het onderbrengen van de pensioenen van de gemeentelijke ambtenaren bij ABP in relatie tot de fossiele investeringen van dit pensioenfonds?

Nee, het college is van mening dat het oordeel over financiële risico’s vooral een verantwoordelijkheid is van het ABP zelf en de daarvoor ingestelde controleorganen.

14.Is het college bereid het ABP op te roepen niet meer te investeren in de fossiele industrie en zich daarmee als werkgever aan te sluiten bij de groeiende groep pensioendeelnemers die het ABP oproepen uit olie, kolen en gas te stappen?

Ja, het college zal het ABP verzoeken om beleggingen in de fossiele industrie binnen redelijke termijn te beëindigen.

Het college van burgemeester en wethouders,

de secretaris, de burgemeester,

mw. A.W.H. Bertram J.J. van Aartsen

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer