Vervolg­vragen over het couperen van staarten bij trek­paarden


Aan de voorzitter van de gemeenteraad,

De beantwoording van de schriftelijke vragen over het couperen van paardenstaarten laat wat de Partij voor de Dieren betreft te wensen over. Een aantal vragen is onvolledig beantwoord en enkele van de verschafte antwoorden zijn ook onderling tegenstrijdig. Vandaar de volgende vervolgvragen, waarbij wij hopen op een meer zorgvuldige beantwoording.

1. De bosaannemer, die door de gemeente Den Haag is ingehuurd, bezit meerdere trekpaarden. Kunt u bevestigen of al deze paarden gecoupeerd zijn en of dit in alle gevallen vóór 2001 is gebeurd?

Het college heeft aangegeven dat in ieder geval bij één van de gehuurde paarden sprake is van een gecoupeerde staart.

2. Erkent u dat het couperen van paardenstaarten leidt tot extreem dierenleed, waarbij tot een derde van de ruggenwervels wordt geamputeerd, en het paard een mogelijkheid wordt ontnomen tot het uitdrukken van lichaamstaal en het verjagen van vliegen? Zo nee, waar baseert u dat op? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot uw eerdere bewering dat ´bij de paarden van de betreffende bosaannemer geen sprake is van dierenleed'?

De Tweede Kamer heeft in 2008 een motie aangenomen om paarden met gecoupeerde staarten niet meer toe te staan op tentoonstellingen, keuringen en andere evenementen, ongeacht of deze paarden legaal danwel illegaal zijn gecoupeerd. Het gaat immers om een maatregel die het illegaal couperen van paardenstaarten moet ontmoedigen.

Het college heeft aangegeven de opvatting te delen dat het in de lijn ligt van nationaal beleid dat overheden het couperen van paardenstaarten op geen enkele wijze ondersteunen.

3. Is het college, in het licht van deze uitspraak, bereid erop toe te zien dat er in de Haagse bossen niet meer gewerkt zal worden met gecoupeerde paarden? Zo ja, kan het college er op toe te zien dat er voor deze paarden een goede oudedagvoorziening wordt geregeld?

4. Is het college bereid om voor de toekomstige inhuur van dierlijke arbeid door de gemeente meetbare welzijnscriteria op te stellen?


Met vriendelijke groet,

Marieke de Groot
Fractievoorzitter Partij voor de Dieren
Gemeente Den Haag

Antwoorddatum: 7 mei 2013

Het raadslid mevrouw M.J.E. de Groot heeft op 8 maart 2013 een brief met daarin vier vragen aan de voorzitter van de gemeenteraad gericht.

Overeenkomstig artikel 38 van het reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad, beantwoordt het college deze vragen als volgt. De beantwoording van de schriftelijke vragen over het couperen van paardenstaarten laat wat de Partij voor de Dieren betreft te wensen over. Een aantal vragen is onvolledig beantwoord en enkele van de verschafte antwoorden zijn ook onderling tegenstrijdig. Vandaar de volgende vervolgvragen, waarbij wij hopen op een meer zorgvuldige beantwoording.

1. De bosaannemer, die door de gemeente Den Haag is ingehuurd, bezit meerdere trekpaarden. Kunt u bevestigen of al deze paarden gecoupeerd zijn en of dit in alle gevallen vóór 2001 is gebeurd?

Het college heeft aangegeven dat in ieder geval bij één van de gehuurde paarden sprake is van een gecoupeerde staart. Naast het afgebeelde paard, heeft de bosaannemer een tweede paard dat eveneens legaal is gecoupeerd.

2. Erkent u dat het couperen van paardenstaarten leidt tot extreem dierenleed, waarbij tot een derde van de ruggenwervels wordt geamputeerd, en het paard een mogelijkheid wordt ontnomen tot het uitdrukken van lichaamstaal en het verjagen van vliegen? Zo nee, waar baseert u dat op? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot uw eerdere bewering dat ´bij de paarden van de betreffende bosaannemer geen sprake is van dierenleed'?

In beantwoording van sv 110 RIS 257160 is dit reeds afdoende onder vraag 3 en 4 aangegeven.

De Tweede Kamer heeft in 2008 een motie aangenomen om paarden met gecoupeerde staarten niet meer toe te staan op tentoonstellingen, keuringen en andere evenementen, ongeacht of deze paarden legaal dan wel illegaal zijn gecoupeerd. Het gaat immers om een maatregel die het illegaal couperen van paardenstaarten moet ontmoedigen.

Het college heeft aangegeven de opvatting te delen dat het in de lijn ligt van nationaal beleid dat overheden het couperen van paardenstaarten op geen enkele wijze ondersteunen.

3. Is het college, in het licht van deze uitspraak, bereid erop toe te zien dat er in de Haagse bossen niet meer gewerkt zal worden met gecoupeerde paarden? Zo ja, kan het college er op toe te zien dat er voor deze paarden een goede oudedagvoorziening wordt geregeld?

Nee. Er is geen aanleiding om niet te werken met de betreffende paarden. Wat de oudedagvoorziening betreft, ontbreekt de wettelijke basis om daar als gemeente op toe te zien.


4. Is het college bereid om voor de toekomstige inhuur van dierlijke arbeid door de gemeente meetbare welzijnscriteria op te stellen?

Nee. Het college houdt zich aan de wettelijke vereisten.


Het college van burgemeester en wethouders,

de secretaris,
mw. A.W.H. Bertram

de burgemeester,
J.J. van Aartsen

Wij staan voor:

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer