Aanvul­lende Raads­vragen over Bijen


Den Haag, 20 januari 2011

Aan de voorzitter van de gemeenteraad,

Omdat de schriftelijke vragen over bijen en andere bestuivende insecten (RIS 177736) niet, niet volledig beantwoord ofwel niet voldoende onderbouwd zijn, stelt ondergetekende - onder verwijzing naar artikel 38 van het Reglement van Orde - de volgende aanvullende vragen:

1. In de beantwoording van vraag 3 wordt aangegeven dat de gemeente “op verschillende manieren bijdraagt aan de stedelijke bijenstand” waarna vervolgens een enkel voorbeeld wordt genoemd. Rest nog de vraag: Op welke verschillende manieren draagt de gemeente bij aan het verbeteren van de stedelijke bijenstand?

2. In de beantwoording van vraag 3 wordt gesteld dat “het beheer aantoonbaar resulteert in een toename van het aantal soorten insecten waaronder bijensoorten”. Wij zouden graag kennis nemen van de resultaten van het onderzoek waarop de conclusie dat sprake is van een aantoonbare toename, is gebaseerd. Graag alsnog een onderbouwing.

3. Ten aanzien van de beantwoording van vraag 4 de volgende aanvullende vraag. Op welke termijn zullen deze gesprekken plaatsvinden en op welke Haagse groenorganisaties doelt u?

4. Nu u in uw antwoord op vraag 5, enkel ingaat op bomen, wil ik u vragen of u bereid bent daarnaast ook meer stuifmeel- en nectarleverende planten en struiken in het openbaar groen te plaatsen?En bent u bereid daarbij een deskundige op bijengebied te raadplegen?

5. Nu vraag 5 een geheel andere vraag betreft dan vraag 6, zou ik alsnog graag een antwoord op vraag 6 tegemoet zien.
Bent u bereid om bij nieuwe aanplant rekening te houden met een grotere diversiteit aan planten, struiken en bomen? Bent u ook bereid daarmee rekening te houden binnen het reguliere onderhoud en ook buiten de ecologische verbindingszones?

6. In vraag 7 stelt u dat er in de ecologische groenzones voldoende geschikte leefgebieden voor bijen beschikbaar zijn. Wetenschappers over de hele wereld achten de toestand van bijenpopulaties zorgwekkend.
Waar baseert u zich op dat er voldoende geschikte leefgebieden in de ecologische groenzones zijn?
Bent u van mening dat er in het geheel genomen in Den Haag voldoende geschikte leefgebieden zijn? Zo ja, waar baseert u zich op?
Bent u van mening dat er mogelijkheden zijn om meer geschikte leefgebieden/plekken te creëren voor bijen in Den Haag? Zo ja, bent u bereid deze strategische plekken in kaart te brengen en deze vervolgens middels aangepaste beplanting aantrekkelijk te maken voor bijen?

7. In vraag 9 geeft u aan het niet verantwoord te achten geld te investeren in tijdelijke voorzieningen.
Het inzaaien van braakliggende terreinen zal niet veel geld kosten.
Wij voorzien grote problemen wanneer de achteruitgang van bijenpopulaties zich doorzet en de wereldvoedselvoorziening instort. (Zie bijlage).
Hoeveel geld denkt u dan kwijt te zijn?

8. In vraag 10 zegt u dat er al zoveel mogelijk rekening wordt gehouden in het huidige maai- en snoeibeleid met de bloei van belangrijke gewassen voor insecten en u verwijst vervolgens heel algemeen naar het behoud van ecologische waarde van de gebieden. De vraag was echter specifiek van aard.
Op welke wijze wordt er in het huidige maai- en snoeibeleid rekening gehouden met de bloei van belangrijke gewassen voor insecten?

9. In vraag 11 antwoordt u dat er geen bestrijdingsmiddelen worden gebruikt die schadelijk zijn voor bijen en bestuivende insecten.
Van welke bestrijdingsmiddelen maakt de gemeente Den Haag gebruik?
Op de lijst van de door de overheid goedgekeurde bestrijdingsmiddelen bevinden zich ook neonicotinoïden die schadelijk zijn voor bijen en bestuivende insecten. Worden dergelijke legale doch schadelijke middelen in Den Haag gebruikt?
Bent u bereid een inventarisatie te maken van bestrijdingsmiddelen die schadelijk zijn voor bijen en bestuivende insecten en deze vervolgens niet langer te gebruiken?
Bent u voorts ook bereid de burgers voor te lichten over deze schadelijke bestrijdingsmiddelen opdat particulier gebruik van deze schadelijke bestrijdingsmiddelen ontmoedigd wordt door de gemeente?

10. In vraag 12 antwoordt u dat voorlichting over bijen niet onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid valt.
Wij willen u nogmaals wijzen op de website van website van NewCastle “Bee Aware” http://www.newcastle.gov.uk/bees.
De verantwoordelijkheid voor bijen is immers voor een ieder van belang nu de bestuiving door bijen van belang is voor de voedselvoorziening en de biodiversiteit. Kunt u aangeven waarom u denkt dat de achteruitgang van de bijenpopulaties de gemeente Den Haag niet raakt en waarom u denkt dat dit probleem geen gemeentelijke verantwoordelijkheid betreft?

11. Vraag 13 was wederom specifieker van aard dan het antwoord doet vermoeden. Bent u bereid “de bijenproblematiek” binnen Stadsgewest Haaglanden onder de aandacht te brengen?


12. Uit de strekking van de antwoorden op de vragen, leiden wij af dat u zich geen zorgen maakt over de bijenpopulaties. Klopt dat?
Als u de voorgaande vraag bevestigend heeft antwoord, hebben wij de volgende aanvullende vragen: Heeft u andere informatie dan wij met betrekking tot de toestand van de bijenpopulaties? Zo ja, welke informatie betreft dat? Heeft u informatie waaruit blijkt dat de bijensterfte in Den Haag geen probleem is? Zo ja, welke informatie betreft dat?
Klopt het dat u zich op het standpunt stelt dat er geen verdere maatregelen nodig zijn? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel?

Met vriendelijke groet,

Marieke de Groot
Fractievoorzitter Partij voor de Dieren
Gemeente Den Haag

BIJ-lage
Dat bijen kunnen steken, is algemeen bekend. Dat bijen honing maken weet ook iedereen. Wat niet iedereen weet is dat bijen bijzonder nuttig zijn en in de voedselketen een zeer bijzondere plaats innemen. De bij is de belangrijkste bestuiver. 80% van alle gewassen in Nederland wordt door bijen bestoven en bijen zijn dus onmisbaar. Bij het verzamelen van nectar en stuifmeel vliegt de bij van bloem naar bloem, hierbij blijft het kleverige stuifmeel aan het behaarde lichaam van de bij hangen en die het vervolgens meeneemt naar de volgende bloem. De economische waarde van de bij in Nederland bedraagt maar liefst 0,8 miljard euro waar de waarde van de natuurlijke gewassen nog bij komt.

Naast de 7 soorten honingbijen bestaan er ongeveer 20.000 andere bijensoorten. In totaal zijn er ongeveer 349 wilde bijensoorten die in Nederland en België voorkomen. Bijna 60% van alle soorten staat op de rode lijst. Dat houdt in dat deze soorten bijna uitgestorven zijn of in ieder geval ernstig worden bedreigd in hun voortbestaan.

Er zijn verschillende redenen aan te wijzen waarom deze soorten (op enkele uitzonderingen na) in aantal achteruitgaan.

• Verlies van biotoop: Sommige soorten gedijen alleen goed in een bepaalde
leefomgeving waar specifieke planten voorkomen. Deze biotopen verdwijnen vaak door intensieve landbouw, schaalvergroting en herverkaveling.

• Achteruitgang van diverse drachtplanten. Vroeger was het landschap
rommeliger. Op verschillende plaatsen waren er hoekjes en randen waar allerlei planten groeiden en bloeiden. Tegenwoordig zijn de randen en zomen in landbouwgebieden kaal (doodgespoten met gif). Ook dorpen en steden zijn steeds ‘sterieler’ geworden. Tuinen worden aangelegd met veel stenen en tegels en het gemeentelijke groen is vaak weinig gevarieerd en monotoon.
Het openbaar groen in steden kan een belangrijke rol spelen als leefgebied voor bijen, juist omdat het aantal drachtplanten in het agrarisch gebied terugloopt.

• Het gebruik van schadelijke bestrijdingsmiddelen (insecticiden): Deze
bestrijdingsmiddelen zijn niet alleen giftig voor wilde- en honingbijen. Ze zijn giftig voor alle insectensoorten. Het is bekend dat deze middelen zich via het oppervlakte water verspreiden. Als wilde planten langs sloten en kanalen dit water opnemen, komt ook gif in het stuifmeel en nectar dat door bijen en hommels wordt verzameld.

Antwoorddatum: 15 feb. 2011

Het gemeenteraadslid mevrouw M. de Groot heeft op 20 januari 2011 een brief met daarin twaalf vragen aan de voorzitter van de gemeenteraad gericht. Overeenkomstig artikel 38 van het reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad, beantwoorden wij deze vragen als volgt.

1. In de beantwoording van vraag 3 wordt aangegeven dat de gemeente “op verschillende manieren bijdraagt aan de stedelijke bijenstand ” waarna vervolgens een enkel voorbeeld wordt genoemd. Rest nog de vraag: Op welke verschillende manieren draagt de gemeente bij aan het verbeteren van de stedelijke bijenstand?

De gemeente draagt bij aan de bijenstand door de natuurvriendelijke inrichting en beheer van de ecologische delen van de groenstructuur en het bomenbeleid. Al jaren is de gemeente bezig met het verschralen van bermen en middenstroken van de wegen. Op deze wijze zijn al vele kruidenvegetaties tot ontwikkeling gekomen en is de diversiteit van planten sterk uitgebreid. Voorbeelden zijn in elk
stadsdeel te vinden. Vooral de duingebieden binnen de Haagse groenstructuur zijn zeer belangrijk voor bijen en andere insecten. Voorts is het maaibeleid langs de slootkanten er op gericht zo veel mogelijk natuurlijke vegetaties te ontwikkelen. Ook wordt natuurlijk groenbeheer op volkstuinen vanuit de stadsdelen ondersteund; hiermee zijn zelfs onderscheidingen behaald. Daarnaast wordt de bijenhouderij ondersteund binnen de natuur- en milieueducatie en het groenbeheer. Op diverse stadsboerderijen en educatieve tuinen worden bijenvolken gehouden en worden bijenlessen gegeven. Daarnaast wordt het belang van bijen onder de aandacht gebracht bij het tuinierprogramma van de gemeente (Natuur- en Milieueducatie en –communicatie). Op menige educatieve tuin zijn insectentuinen aangelegd en voortplantingsplekken (insectenhotels) geplaatst. Tevens kunnen Haagse imkers in overleg met groenbeheerders hun bijenvolken tijdelijk in groengebieden laten vliegen om nectar en stuifmeel te verzamelen.
Tot slot is vorig jaar in Reigersbergen ten behoeve van de Imkervereniging Den Haag en omstreken een nieuwe bijenstand gerealiseerd ter vervanging van de oude bijenstand. Deze moest wijken voor de realisatie van het Nationaal Automobielmuseum. De nieuwe voorziening is een kwalitatieve verbetering ten opzichte van de oude situatie en levert een grotere bijdrage aan publiekseducatie over bijen.

2. In de beantwoording van vraag 3 wordt gesteld dat “ het beheer aantoonbaar resulteert in een toename van het aantal soorten insecten waaronder bijensoorten”. Wij zouden graag kennis nemen van de resultaten van het onderzoek waarop de conclusie dat sprake is van een aantoonbare toename, is gebaseerd. Graag alsnog een onderbouwing.

In 2005 heeft een deskundige op het gebied van inheemse bijen in opdracht van de gemeente een vergelijkend onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van bijen in gewone en in ecologisch beheerde bermen. Hieruit bleek dat in de kruidenrijke vegetatie van de ecologisch beheerde bermen 11 soorten bijen voorkwamen, terwijl dat er in gewone bermen gemiddeld drie waren. Deze bermen hebben door het gevoerde beheer nog steeds een kruidenrijke vegetatie. De flora- en fauna inventarisaties in 2009 en 2010 van ca. 80% van de ecologische verbindingszones laten zien dat ecologisch beheerde groenzones gemiddeld 280 verschillende soorten vaatplanten herbergen.

3. Ten aanzien van de beantwoording van vraag 4 de volgende aanvullende vraag. Op welke termijn zullen deze gesprekken plaatsvinden en op welke Haagse groenorganisaties doelt u?

In maart 2011 zal een gesprek worden gepland met de Imkervereniging Den Haag en omstreken en met de groenorganisaties die deelnemen aan het Stedelijk Groenoverleg.

4. Nu u in uw antwoord op vraag 5, enkel ingaat op bomen, wil ik u vragen of u bereid bent daarnaast ook meer stuifmeel- en nectarleverende planten en struiken in het openbaar groen te plaatsen? En bent u bereid daarbij een deskundige op bijengebied te raadplegen?

Naast het beleid voor bomen en ecologische verbindingszones zal de gemeente niet ook nog structureel stuifmeel- en nectarleverende planten toepassen in de rest van het openbare groen. Het openbare groen heeft verschillende functies en binnen de functie ‘natuur’ gaat het om verschillende soortengroepen.

Bij herinrichting van het groen wordt waar mogelijk rekening gehouden met wensen en initiatieven uit de buurt, vanuit een integrale afweging van groenfuncties. In dat kader kan waar mogelijk ook gekeken worden naar eventuele verzoeken.

5. Nu vraag 5 een geheel andere vraag betreft dan vraag 6, zou ik alsnog graag een antwoord op vraag 6 tegemoet zien. Bent u bereid om bij nieuwe aanplant rekening te houden met een grotere diversiteit aan planten, struiken en bomen? Bent u ook bereid daarmee rekening te houden binnen het reguliere onderhoud en ook buiten de ecologische verbindingszones?

Zie ons antwoord op vraag 4.

6. In vraag 7 stelt u dat er in de ecologische groenzones voldoende geschikte leefgebieden voor bijen beschikbaar zijn. Wetenschappers over de hele wereld achten de toestand van bijenpopulaties zorgwekkend. Waar baseert u zich op dat er voldoende geschikte leefgebieden in de ecologische groenzones zijn?

Bijensterfte is niet alleen een probleem voor Den Haag, maar is wereldwijd gesignaleerd. De oorzaak is nog niet duidelijk, maar onderzoekers vermoeden dat het te maken heeft met een virus in combinatie met het gebruik van (nieuwe) bestrijdingsmiddelen. Dit probleem kan dus niet alleen aan Den Haag toegeschreven worden. Den Haag heeft in het verleden veel geïnvesteerd in de ontwikkeling van de natuurgebieden en ecologische verbindingszones en zet dat beleid voort. Uit inventarisatiegegevens van de aanwezige plantenvegetaties in de natuurlijke delen van de groenstructuur valt af te leiden dat er o.a. veel voedselplanten voor bijen voorkomen. Bent u van mening dat er in het geheel genomen in Den Haag voldoende geschikte leefgebieden zijn? Zo ja, waar baseert u zich op?

Het stedelijke gebied heeft bijen vaak veel meer te bieden dan de omliggende landelijke omgeving. Daar is de begroeiing vaak eenvormiger en worden meer bestrijdingsmiddelen gebruikt. Met de grote variatie aan groen, waarin naast het openbare groen ook particuliere tuinen een belangrijke plaats innemen, zijn er in Den Haag voldoende geschikte leefgebieden.
Bent u van mening dat er mogelijkheden zijn om meer geschikte leefgebieden/plekken te creëren voor bijen in Den Haag? Zo ja, bent u bereid deze strategische plekken in kaart te brengen en deze vervolgens middels aangepaste beplanting aantrekkelijk te maken voor bijen?

Er zullen mogelijkheden bestaan om meer geschikte leefgebieden/plekken te creëren voor bijen in Den Haag. Zoals in het antwoord op bovengenoemde vraag is gesteld, zijn er echter al voldoende plekken. Het college zal daarom geen nieuwe plekken in kaart brengen.

7. In vraag 9 geeft u aan het niet verantwoord te achten geld te investeren in tijdelijke voorzieningen. Het inzaaien van braakliggende terreinen zal niet veel geld kosten. Wij voorzien grote problemen wanneer de achteruitgang van bijenpopulaties zich doorzet en de wereldvoedselvoorziening instort. Hoeveel geld denkt u dan kwijt te zijn?

De vraag suggereert ten onrechte dat het wereldvoedselvraagstuk in hoge mate wordt bepaald door de beplanting van de braakliggende terreinen in Den Haag. Mede gezien de huidige financiële situatie achten wij het niet zinvol om geld, veel of weinig, te besteden aan het tijdelijk inrichten van braakliggende terreinen met bijenvriendelijke beplanting, wanneer pioniervegetaties, die ook gunstig zijn voor bijen, zich vanzelf snel ontwikkelen.

8. In vraag 10 zegt u dat er al zoveel mogelijk rekening wordt gehouden in het huidige maai- en snoeibeleid met de bloei van belangrijke gewassen voor insecten en u verwijst vervolgens heel algemeen naar het behoud van ecologische waarde van de gebieden. De vraag was echter specifiek van aard. Op welke wijze wordt er in het huidige maai- en snoeibeleid rekening gehouden met de bloei van belangrijke gewassen voor insecten?

Het maaibeleid is er bij uitstek op gericht zo veel mogelijk bloemrijke begroeiing te ontwikkelen. De maaitijden worden afgestemd op de bloeitijden van de planten. Pas na de zaadontwikkeling wordt er gemaaid. Snoeien van heesterbeplanting gebeurt over het algemeen in de winter. Heesters worden doorgaans niet gesnoeid als ze bloeien.

9. In vraag 11 antwoordt u dat er geen bestrijdingsmiddelen worden gebruikt die schadelijk zijn voor bijen en bestuivende insecten. Van welke bestrijdingsmiddelen maakt de gemeente Den Haag gebruik?

In het openbaar groen worden geen chemische bestrijdingsmiddelen tegen ziekten en plagen gebruikt met uitzondering van ziektebestrijding in het rosarium Westbroekpark en woekeronkruiden op het sport(speel)veld in het Zuiderpark, als deze gevaar opleveren voor de bespeelbaarheid (1x in de drie jaar MCPP en AA mix).

Op de lijst van de door de overheid goedgekeurde bestrijdingsmiddelen bevinden zich ook neonicotinoïden die schadelijk zijn voor bijen en bestuivende insecten. Worden dergelijke legale doch schadelijke middelen in Den Haag gebruikt?

Nee.

Bent u bereid een inventarisatie te maken van bestrijdingsmiddelen die schadelijk zijn voor bijen en bestuivende insecten en deze vervolgens niet langer te gebruiken?

Nee, het maken van een dergelijke algemene inventarisatie is geen taak voor een gemeente.

Bent u voorts ook bereid de burgers voor te lichten over deze schadelijke bestrijdingsmiddelen opdat particulier gebruik van deze schadelijke bestrijdingsmiddelen ontmoedigd wordt door de gemeente?

Nee, dit is geen taak voor de gemeente.

10. In vraag 12 antwoordt u dat voorlichting over bijen niet onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid valt. Wij willen u nogmaals wijzen op de website van website van NewCastle “Bee Aware” http://www.newcastle.gov.uk/bees. De verantwoordelijkheid voor bijen is immers voor een ieder van belang nu de bestuiving door bijen van belang is voor de voedselvoorziening en de biodiversiteit. Kunt u aangeven waarom u denkt dat de achteruitgang van de bijenpopulaties de gemeente Den Haag niet raakt en waarom u denkt dat dit probleem geen gemeentelijke verantwoordelijkheid betreft?

Het College stelt niet dat de achteruitgang van de bijenpopulaties, indien dit zich vertaalt in hogere voedselprijzen, Den Haag niet raakt. De gemeente heeft echter geen specifieke taak in de voorlichting over bijen. Er is goede informatie over bijen toegankelijk op diverse internetsites.

11. Vraag 13 was wederom specifieker van aard dan het antwoord doet vermoeden. Bent u bereid “de bijenproblematiek” binnen Stadsgewest Haaglanden onder de aandacht te brengen?

Zoals gemeld in onze beantwoording d.d. 11 januari 2011 (RIS 177736), komen flora- en fauna gerelateerde onderwerpen, waaronder het bijenvraagstuk, aan de orde in het stadsecologenoverleg van het Stadsgewest Haaglanden.

12. Uit de strekking van de antwoorden op de vragen, leiden wij af dat u zich geen zorgen maakt over de bijenpopulaties. Klopt dat?

Het College deelt de zorg over de teruggang van de honingbij en andere bestuivers. Zoals uit onze antwoorden is af te leiden, doet de gemeente naar onze mening op dit moment voldoende aan de
bijenproblematiek.

Als u de voorgaande vraag bevestigend heeft antwoord, hebben wij de volgende aanvullende vragen: Heeft u andere informatie dan wij met betrekking tot de toestand van de bijenpopulaties? Zo ja, welke informatie betreft dat?

Zie het antwoord op vraag 2.

Heeft u informatie waaruit blijkt dat de bijensterfte in Den Haag geen probleem is? Zo ja, welke informatie betreft dat?

De informatie die de gemeente heeft is genoemd in het antwoord op vraag 2.

Klopt het dat u zich op het standpunt stelt dat er geen verdere maatregelen nodig zijn? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel?

Ja, zie ons antwoord op vraag 2.


Het college van burgemeester en wethouders,

de secretaris, de burgemeester,
mw. A.W.H. Bertram J.J. van Aartsen

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer