Raads­vragen over de meer­vleermuis


Den Haag, 2 november 2011,

Aan de voorzitter van de gemeenteraad,

Naar aanleiding van nieuw wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van wegen op beschermde vleermuissoorten stelt ondergetekende - onder verwijzing naar artikel 38 van het Reglement van Orde -de volgende vragen:

Inleiding:

Een vandaag gepubliceerd onderzoek in het Journal of Applied Ecology1 heeft aangetoond dat wegen tot een afstand van 1.6 km negatieve effecten op vleermuizen hebben. Dit effect is van het grootst op de Meervleermuis, die in Den Haag is aangewezen als beschermde habitatsoort in het kader van Natura 2000.

1. Bent u op de hoogte van voortschrijdend wetenschappelijk inzicht dat aantoont wegen grote barrières vormen voor vleermuizen?

De meervleermuis is aangewezen als habitatsoort in Meijendel & Berkeide. Uit de soortendatabase van het miniserie van EL&I blijkt dat een van de drie belangrijkste overwinteringplaatsen van de meervleermuis in Nederland ligt in de bunkers in het Hollandse duingebied; in het bijzonder in bunkers tussen Katwijk en Den Haag.

2. Bent u op de hoogte van het verspreidingspatroon van de meervleermuis buiten het Natura 2000 gebied Meijendel & Berkeide? Zo ja, hoe ziet dit patroon eruit? Zo neen, op welke wijze kan u dan de populatie beschermen als u niet weet waar ze voorkomen?

3. Onderschrijft u de conclusie in het PBL rapport ‘Natura 2000 in Nederland’, dat om de doelstellingen van de Habitatrichtlijn te verwezenlijken de bescherming van alleen de Natura 2000-gebieden onvoldoende is gezien populaties ook buiten de gebieden voorkomen? Zo ja, welke concrete maatregelen zijn er de afgelopen 5 jaar genomen om de meervleermuis ook buiten het Natura 2000 gebied te beschermen? Zo neen, op welke onafhankelijke juridische afweging baseert u dit?

4. Wordt de verspreiding van vleermuizen op dit moment gemonitord? Zo ja, hoe en wat zijn de laatste resultaten ervan? Zo neen, hoe kan dan invulling gegeven worden aan artikel 6 lid 2 van de Habitatrichtlijn, namelijk het nemen van passende maatregelen als er verslechtering optreedt?

5. Onderschrijft u dat de Haagse Nota Mobiliteit alleen een Natuurbeschermingswet vergunning zal krijgen wanneer door middel van een passende beoordeling zekerheid is verkregen dat er geen significante effecten op treden? Zo ja, hoe gaat dit traject eruit zien en op basis van welke onafhankelijk informatie wordt deze beoordeling gemaakt?

6. Bent u bereid aanvullend onderzoek te verrichten naar de effecten van de wegen rondom Meijendel & Berkeide op de meervleermuis om het optreden van significante effecten, in lijn met artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn uit te sluiten? Zo neen, hoe geeft u dan invulling aan die verplichting gezien het voortschrijdend wetenschappelijk inzicht laat zien dat wegen tot een ernstige verstoring van de vleermuis kan leiden?

Met vriendelijke groet,

Marieke de Groot
Fractievoorzitter Partij voor de Dieren
Gemeente Den Haag

1http://www.leeds.ac.uk/news/article/2623/roads_are_detrimental_to_europes_protected_bats_new_study_finds

Antwoorddatum: 30 nov. 2011

Den Haag, 29 november 2011

Inzake: Meervleermuis

De gemeenteraad

Het raadslid mevrouw M. de Groot heeft op 2 november 2011 een brief met daarin zes vragen aan de voorzitter van de gemeenteraad gericht. Overeenkomstig artikel 38 van het reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad, beantwoordt het college deze vragen als volgt.

Inleiding: Een vandaag gepubliceerd onderzoek in het Journal of Applied Ecology heeft aangetoond dat wegen tot een afstand van 1.6 km negatieve effecten op vleermuizen hebben. Dit effect is van het grootst op de Meervleermuis, die in Den Haag is aangewezen als beschermde habitatsoort in het kader van Natura 2000.

1. Bent u op de hoogte van voortschrijdend wetenschappelijk inzicht dat aantoont wegen grote barrières vormen voor vleermuizen?

Het college heeft kennis genomen van de inhoud van het artikel, dat verslag doet van een onderzoek in Cumbria (Verenigd Koninkrijk).
De meervleermuis is aangewezen als habitatsoort in Meijendel & Berkeide. Uit de soortendatabase van het ministerie van EL&I blijkt dat een van de drie belangrijkste overwinteringplaatsen van de meervleermuis in Nederland ligt in de bunkers in het Hollandse duingebied; in het bijzonder in bunkers tussen Katwijk en Den Haag.
DSB/2011.724 2

2. Bent u op de hoogte van het verspreidingspatroon van de meervleermuis buiten het Natura 2000 gebied Meijendel & Berkeide? Zo ja, hoe ziet dit patroon eruit? Zo neen, op welke wijze kan u dan de populatie beschermen als u niet weet waar ze voorkomen?

Nee. Bescherming van de populatie meervleermuizen behoort niet tot de wettelijke taak van de Gemeente Den Haag. Voor de Natuurbeschermingswet is de Provincie Zuid-Holland bevoegd gezag; voor de Flora- en Faunawet is dit de Dienst Regelingen van het ministerie van EL&I. De beheerder van het gebied, dat voor een zeer gering deel binnen de gemeentegrenzen van Den Haag ligt, is het waterleidingbedrijf Dunea.

3. Onderschrijft u de conclusie in het PBL rapport ‘Natura 2000 in Nederland’, dat om de doelstellingen van de Habitatrichtlijn te verwezenlijken de bescherming van alleen de Natura
2000-gebieden onvoldoende is gezien populaties ook buiten de gebieden voorkomen? Zo ja, welke concrete maatregelen zijn er de afgelopen 5 jaar genomen om de meervleermuis ook buiten het Natura 2000 gebied te beschermen? Zo neen, op welke onafhankelijke juridische afweging baseert u dit?

Het aangehaalde rapport bevat geen conclusies, maar geeft bevindingen. Eén daarvan is: “Om de doelstellingen van de Habitatrichtlijn te verwezenlijken is bescherming van alleen de Natura 2000- gebieden onvoldoende”. De wetgever heeft daarin reeds voorzien door buiten de Natura 2000- gebieden de soortbescherming te verankeren in de Flora- en Faunawet. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2, heeft de gemeente Den Haag hierin geen wettelijke taak of uitvoerende taak.

4. Wordt de verspreiding van vleermuizen op dit moment gemonitord? Zo ja, hoe en wat zijn de laatste resultaten ervan? Zo neen, hoe kan dan invulling gegeven worden aan artikel 6 lid 2 van
de Habitatrichtlijn, namelijk het nemen van passende maatregelen als er verslechtering optreedt?

Nee. Zie het antwoord op vraag 2.

5. Onderschrijft u dat de Haagse Nota Mobiliteit alleen een Natuurbeschermingswet vergunning zal krijgen wanneer door middel van een passende beoordeling zekerheid is verkregen dat er geen
significante effecten op treden? Zo ja, hoe gaat dit traject eruit zien en op basis van welke onafhankelijk informatie wordt deze beoordeling gemaakt?

Artikel 19 van de Natuurbeschermingswet 1998 beschrijft welke handelingen een vergunning vereisen en op welke wijze een vergunningaanvraag onderbouwd dient te worden. Het is aan de Provincie Zuid-Holland, in de rol van bevoegd gezag, om te oordelen of een plan of project significante effecten kan hebben. Als significant negatieve effecten niet uit te sluiten zijn dient het bestuursorgaan te handelen conform de procedure die beschreven is in artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998. Een passende beoordeling is onderdeel van die procedure.
DSB/2011.724 3

6. Bent u bereid aanvullend onderzoek te verrichten naar de effecten van de wegen rondom Meijendel & Berkeide op de meervleermuis om het optreden van significante effecten, in lijn met
artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn uit te sluiten? Zo neen, hoe geeft u dan invulling aan die verplichting gezien het voortschrijdend wetenschappelijk inzicht laat zien dat wegen tot een
ernstige verstoring van de vleermuis kan leiden?

Nee. Zie voor de procedure het antwoord bij vraag 5.

Het college van burgemeester en wethouders,
de secretaris, de burgemeester,
mw. A.W.H. Bertram J.J. van Aartsen

Wij staan voor:

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer