Schrif­te­lijke vragen Gebieds­ge­richte ontheffing Wet natuur­be­scherming


Aan de voorzitter van de gemeenteraad,

Op 13 december 2018 publiceerde het college de Aanvraag gebiedsgerichte ontheffing Wet natuurbescherming op basis van het Soortenmanagementplan Den Haag (RIS301384). De Partij voor de Dieren en de Haagse Stadspartij zijn benieuwd naar de gevolgen van deze veranderde werkwijze voor de bescherming van de Haagse natuur.

Overeenkomstig art. 30 van het Reglement van orde stellen de raadsleden Robert Barker, Partij voor de Dieren, en Peter Bos, Haagse Stadspartij, de volgende vragen:

  • 1) Kan het college toelichten wat de belangrijkste effecten zijn van de gebiedsgerichte ontheffing voor de natuur? Wat is de aanleiding om nu de ontheffing vast te stellen?
  • 2) Blijven gebouwen of andere objecten die verbouwd worden individueel getoetst op de aanwezigheid van (woonplaatsen van) beschermde diersoorten?
  • 3) Waarom wordt in de ontheffing niet ingezet op het verbeteren van de habitat van dieren, bijvoorbeeld mussen, in wijken waar deze nu niet voorkomen, opdat deze dieren zich in de toekomst wél in deze wijken zullen vestigen?
  • 4) Op welke manier is de geschiktheid van woningen voor de aanwezigheid van beschermde diersoorten een “worst case”, zoals gesteld op pagina’s 20, 55 en 91? Het is toch juist fijn dat beschermde dieren in onze stad een plekje kunnen vinden?
  • 5) Hoe wordt geborgd dat de gebiedsgerichte ontheffing eenzelfde niveau van natuurbescherming bewerkstelligt als de individuele ontheffingen die ze vervangt?

Robert Barker
Partij voor de Dieren

Peter Bos
Haagse Stadspartij

Antwoorddatum: 2 apr. 2019

Raadsleden de heer Barker en de heer Bos hebben op 5 maart 2019 een brief met daarin vijf vragen aan de voorzitter van de gemeenteraad gericht.
Overeenkomstig artikel 30 van het reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad, beantwoordt het college deze vragen als volgt.

Op 13 december 2018 publiceerde het college de Aanvraag gebiedsgerichte ontheffing Wet natuurbescherming op basis van het Soortenmanagementplan Den Haag (RIS301384). De Partij voor de Dieren en de Haagse Stadspartij zijn benieuwd naar de gevolgen van deze veranderde werkwijze voor de bescherming van de Haagse natuur.

1. Kan het college toelichten wat de belangrijkste effecten zijn van de gebiedsgerichte ontheffing voor de natuur? Wat is de aanleiding om nu de ontheffing vast te stellen?

De gemeente en coöperaties willen zodanig handelen dat de populaties van beschermde gebouwbewonende soorten (huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen) duurzaam behouden blijven. De gebiedsgerichte ontheffing is een werkwijze die helpt om bij renovaties, sloop en nieuwbouw gerichte maatregelen te nemen voor deze dieren, o.a. de realisatie van verblijfplaatsen. Door deze gezamenlijke aanpak bestrijken we een groot areaal van de stad - meer dan 30%. De aanvraag komt voort uit de Nota natuurinclusief bouwen (RIS 288182) naar aanleiding van Motie M.58. Aanleiding is dat in Den Haag de komende jaren veel woningen zullen worden gerenoveerd, gesloopt of nageïsoleerd om de energiedoelen (energietransitie) te bereiken. De verwachting is dat als gevolg hiervan veel verblijfplaatsen, door het dichten van kieren en gaten, zullen verdwijnen.

2. Blijven gebouwen of andere objecten die verbouwd worden individueel getoetst op de aanwezigheid van (woonplaatsen van) beschermde diersoorten?

Conform de uniforme aanpak die is voorgeschreven in het Soortenmanagementplan, wordt er vanuit gegaan dat in alle gebouwen beschermde diersoorten aanwezig kunnen zijn (“Worst case”) en wordt hiernaar gehandeld (zie ook 4 en 5).

3. Waarom wordt in de ontheffing niet ingezet op het verbeteren van de habitat van dieren, bijvoorbeeld mussen, in wijken waar deze nu niet voorkomen, opdat deze dieren zich in de toekomst wél in deze wijken zullen vestigen?

Als eerste stap wordt gestuurd op realisatie van voldoende verblijfplaatsen. Voor huismussen en gierzwaluwen is gekozen, om in te zetten op die wijken waar ze nu nog voorkomen of de kans groot is dat er weer een levensvatbare populatie van genoemde soorten kan ontstaan. Onderdeel van het Soortenmanagementplan (en dus voorwaarde voor het verkrijgen van de gebiedsgerichte ontheffing), is de ontwikkeling van een Huismussenplan en Vleermuisplan waarbij wordt ingegaan op essentieel habitatbehoud- en verbetering. Omdat gierzwaluwen geen binding hebben met groen, is voor deze soort alleen ingezet op extra verblijfplaatsen.

4. Op welke manier is de geschiktheid van woningen voor de aanwezigheid van beschermde diersoorten een “worst case”, zoals gesteld op pagina’s 20, 55 en 91? Het is toch juist fijn dat beschermde dieren in onze stad een plekje kunnen vinden?

“Worst case” is een term die is gebruikt om aan te duiden dat bij woningen te allen tijde beschermde soorten te verwachten zijn bij activiteiten zoals sloop, renovatie of na-isolatie (zie ook 2). Hiermee zeggen we dat altijd ingezet wordt op realisatie van verblijfplaatsen, dus ook als in de huidige situatie geen verblijfplaatsen aanwezig zijn. Dit betekent dat we altijd meer verblijfplaatsen terugbrengen dan dat er voorafgaand aan de activiteiten aanwezig waren.

5. Hoe wordt geborgd dat de gebiedsgerichte ontheffing eenzelfde niveau van natuurbescherming bewerkstelligt als de individuele ontheffingen die ze vervangt?

Een gebiedsgerichte ontheffing is van een kwalitatief beter niveau dan een individuele ontheffing. Individuele ontheffingen richten zich namelijk alleen op mitigatie van bestaande verblijfplaatsen op individuele locaties. De gebiedsontheffing richt zich op realisatie van zoveel mogelijk effectieve verblijfplaatsen op gebiedsniveau. Hier geldt altijd overcompensatie, conform vastgestelde norm, en borging van de effectiviteit van de maatregelen door te werken volgens de mitigatiecatalogus. We realiseren dus ook verblijfplaatsen op locaties waar nu geen dieren of waar nu geen nestmogelijkheden aanwezig zijn.

Het college van burgemeester en wethouders,

de secretaris,de burgemeester,
Peter HennephofPauline Krikke