Schrif­te­lijke vervolg­vragen hoor­zitting RTHA


Aan de voorzitter van de gemeenteraad,

Op 8 juni 2017 heeft Christine Teunissen van de Partij voor de Dieren schriftelijke vragen gesteld over de toespraak van de gemeente Den Haag bij de “Hoorzitting advies luchthavenbesluit Rotterdam The Hague Airport” (RTHA). Deze zijn op 29 augustus 2017 beantwoord (RIS297189). De beantwoording geeft aanleiding tot vervolgvragen.

Onder verwijzing naar artikel 30 van het Reglement van Orde stelt ondergetekende de volgende vragen:

In de beantwoording van vraag 2, die het college vroeg of het college voorstander is van een uitbreiding van de luchthaven, valt te ontcijferen dat het college een “gewenste groei […] van […] inkomende toeristen, zakelijke reizigers, congresbezoekers” etc. ervaart en dat het college vindt dat RTHA “een luchthaven die dit faciliteert” moet zijn. Het is niet geheel duidelijk op welk zinsdeel het woord “dit” terugslaat, en dit is cruciaal voor de correcte interpretatie van deze zin.

1. Is het college voorstander van groei van het aantal vluchten van RTHA?

2. Op welk zinsdeel slaat het woord “dit” in “een luchthaven die dit faciliteert” terug? (De mogelijkheden zijn: “belang van RTHA”, “een goede toegankelijkheid […]”, “de […] groei […]”, “de functie […]”.)

In de beantwoording van vraag 11 staat dat de gemeente inzet op een “kwalitatieve groei” van RTHA.

3. Wat bedoelt het college met het woord “kwalitatieve” in “kwalitatieve groei”? Kan het college een voorbeeld geven van een ontwikkeling van RTHA die volgens het college een toonbeeld is van “kwalitatieve groei”?

In de beantwoording op vraag 4 geeft het college aan: “een goed economisch klimaat en groei van werkgelegenheid is speerpunt uit het coalitieakkoord en gemeentebreed prioriteit”. In de beantwoording van vraag 7 staat ongeveer hetzelfde: “De versterking van het economisch klimaat en de werkgelegenheid is gemeentebreed speerpunt”. Ook het nastreven van klimaatneutraliteit is een speerpunt uit het coalitieakkoord (p. 28) en gemeentebreed prioriteit. Het is dan ook niet vanzelfsprekend om het economisch klimaat te prioriteren boven het (meteorologisch) klimaat.

4. Waarom heeft het college, dat gezien de beantwoording van vraag 4 kennelijk de speerpunten uit het coalitieakkoord wil bevorderen, ervoor gekozen uit de beschikbare speerpunten het economisch klimaat te bevorderen, en niet het (meteorologisch) klimaat?

In de beantwoording van vraag 5 stelt het college dat de toespraak die het heeft voorgedragen het standpunt van het college weergeeft, niet de mening van één fractie. Kennelijk correspondeert het standpunt van het college woord voor woord met de mening van de VVD.

5. Kan het college (nogmaals) bevestigen dat het standpunt van het college correspondeert met de mening van de VVD?

Vraag 6 verzoekt het college uit te leggen wat het bedoelt met “het versterken van het zakelijk profiel van de luchthaven”. De beantwoording verwijst naar de beantwoording van vraag 2. Die beantwoording biedt echter geen verdere verduidelijking.

6. Bedoelt het college met het woord “versterken” in “het versterken van het zakelijk profiel” een groei van het aantal vluchten? Zo nee, wat voor soort versterking heeft het college dan voor ogen?

In de beantwoording van vraag 7 stelt het college: “een goede toegankelijkheid via de lucht […] is […] cruciaal.”

7. Vindt het college een goede toegankelijkheid via het spoor ook cruciaal? Aan welke vervoersmodaliteit (trein- of vliegverkeer) geeft het college prioriteit?

De beantwoording van vraag 8 verwijst naar de beantwoording van vraag 7, die in het geheel geen antwoord geeft op vraag 8. Daarom stellen wij dezelfde vraag nogmaals.

8. Kan het college aangeven hoe ver de gemeente al is gevorderd in haar omslag naar klimaatneutraliteit en hoe de door het college gewenste ontwikkeling van RTHA daaraan bijdraagt of afdoet?

In de beantwoording van vraag 7 noemt het college de “toegestane geluidsruimte”. In de beantwoording van vraag 11 noemt het college de “vergunde milieuruimte”.

9. Kan het college een overzicht geven van eisen en normen wat betreft de geluids- en milieuruimte waarbinnen RTHA moet opereren?

In de beantwoording van vraag 9 stelt het college dat regionale, door de gemeente gefinancierde activiteiten (zoals RTHA) niet meetellen in de lokale klimaatdoelstellingen. Dat standpunt houdt in dat de uitstoot van RTHA alléén meetelt voor de klimaatdoelstellingen van de gemeente Rotterdam. De uitstoot van de kolencentrale Eemshaven telt, volgens dit opmerkelijke perspectief, alleen mee voor de lokale klimaatdoelstellingen van de gemeente Eemsmond, dat daardoor haar klimaatdoelstellingen, hoe conservatief ze ook mogen zijn, vermoedelijk nooit zal halen. Het feit dat CO2-moleculen zich niets aantrekken van gemeentegrenzen behoeft geen verdere uitleg.

10. Zou het, volgens het college, niet redelijker zijn om de uitstoot van economische activiteiten met een regionaal bereik wat klimaatdoelstellingen betreft te spreiden over de betreffende regio, aangezien de CO2-moleculen dat ook doen?

Met vriendelijke groet,

Christine Teunissen
Partij voor de Dieren
Den Haag

Antwoorddatum: 31 aug. 2017

Het raadslid mevrouw Teunissen heeft op 1 september 2017 een brief met daarin tien vragen aan de voorzitter van de gemeenteraad gericht.
Overeenkomstig artikel 30 van het reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad, beantwoordt het college deze vragen als volgt.

Op 8 juni 2017 heeft Christine Teunissen van de Partij voor de Dieren schriftelijke vragen gesteld over de toespraak van de gemeente Den Haag bij de “Hoorzitting advies luchthavenbesluit Rotterdam The Hague Airport” (RTHA). Deze zijn op 29 augustus 2017 beantwoord (RIS297189). De beantwoording geeft aanleiding tot vervolgvragen.

Onder verwijzing naar artikel 30 van het reglement van Orde stelt ondergetekende de volgende vragen:

In de beantwoording van vraag 2, die het college vroeg of het college voorstander is van een uitbreiding van de luchthaven, valt te ontcijferen dat het college een “gewenste groei […] van […] inkomende toeristen, zakelijke reizigers, congresbezoekers” etc. ervaart en dat het college vindt dat RTHA “een luchthaven die dit faciliteert” moet zijn. Het is niet geheel duidelijk op welk zinsdeel het woord “dit” terugslaat, en dit is cruciaal voor de correcte interpretatie van deze zin.

1. Is het college voorstander van groei van het aantal vluchten van RTHA?

Het collegestandpunt ten aanzien van de ontwikkeling van RTHA is helder geformuleerd in de beantwoording van de vragen van 8 juni 2017 (RIS297189) en luidt als volgt:
“Sinds een aantal jaren is het gemeentelijk standpunt ten aanzien van RTHA als volgt:
- zakenluchthaven RTHA is van groot belang voor de internationale functies van Den Haag.
- RTHA is van belang voor de werkgelegenheid in de metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH).
- RTHA is een belangrijke vestigingsplaatsfactor voor internationaal opererende bedrijven en instellingen.
- RTHA is van belang voor inkomende passagiersstromen in verband met de groeiende belangstelling voor de metropoolregio MRDH als toeristische bestemming en als congreslocatie.
- de gemeente Den Haag is als mede-naamgever medebelanghebbend bij het functioneren van de luchthaven.
- belang van RTHA t.b.v. een goede toegankelijkheid van Den Haag via het luchtruim gezien de verwachte en gewenste groei in de gemeente van (elders uit Europa afkomstige) inkomende toeristen, zakelijke reizigers, congresbezoekers, bezoekers van internationale instituties en gezien de functie van Den Haag als bestuurlijk centrum van Nederland.
- een luchthaven die dit faciliteert, in combinatie met goede verbindingen met die luchthaven over de weg en per openbaar vervoer, acht Den Haag van groot belang.
De versterking van het economisch klimaat en de werkgelegenheid is gemeentebreed speerpunt. Een
goede toegankelijkheid via de lucht van Den Haag als internationale stad, residentie van het land,
toeristisch centrum en stad met vele internationale congressen is hierbij cruciaal. Wij streven ernaar
dat RTHA, binnen de toegestane geluidsruimte, prioriteit geeft aan de doelgroepen die voor Den Haag
economisch interessant zijn”.

2. Op welk zinsdeel slaat het woord “dit” in “een luchthaven die dit faciliteert” terug? (De mogelijkheden zijn: “belang van RTHA”, “een goede toegankelijkheid […]”, “de […] groei […]”, “de functie […]”.)

Het college is van mening dat dit voldoende helder is.

In de beantwoording van vraag 11 staat dat de gemeente inzet op een “kwalitatieve groei” van RTHA.

3. Wat bedoelt het college met het woord “kwalitatieve groei”? Kan het college een voorbeeld geven van een ontwikkeling van RTHA die volgens het college een toonbeeld is van “kwalitatieve groei”?

Het begrip “kwalitatieve groei” duidt op binnen de huidige toegestane geluidsruimte een verschuiving naar voor Den Haag meer economisch interessante doelgroepen. Zie antwoord op vraag 1.

In de beantwoording op vraag 4 geeft het college aan: “een goed economisch klimaat en groei van werkgelegenheid is speerpunt uit het coalitieakkoord en gemeentebreed prioriteit”. In de beantwoording van vraag 7 staat ongeveer hetzelfde: “De versterking van het economisch klimaat en de werkgelegenheid is gemeentebreed speerpunt”. Ook het nastreven van klimaatneutraliteit is een speerpunt uit het coalitieakkoord (p.28) en gemeentebreed prioriteit. Het is dan ook niet vanzelfsprekend om het economisch klimaat te prioriteren boven het (meteorologisch) klimaat.

4. Waarom heeft het college, dat gezien de beantwoording van vraag 4 kennelijk de speerpunten uit het coalitieakkoord wil bevorderen, ervoor gekozen uit de beschikbare speerpunten het economisch klimaat te bevorderen, en niet het (meteorologisch) klimaat?

Het college verwijst hiervoor naar haar eerdere antwoord bij vraag 1 uit de eerdere vragen van 8 juni 2017.

In de beantwoording van vraag 5 stelt het college dat de toespraak die het heeft voorgedragen het standpunt van het college weergeeft, niet de mening van één fractie. Kennelijk correspondeert het standpunt van het college woord voor woord met de mening van de VVD.

5. Kan het college (nogmaals) bevestigen dat het standpunt van het college correspondeert met de mening van de VVD?

Het college verwijst hiervoor naar haar eerdere antwoord bij vraag 4 en vraag 5 uit de eerdere vragen van 8 juni 2017.

Vraag 6 verzoekt het college uit te leggen wat het bedoelt met “het versterken van het zakelijk profiel van de luchthaven”. De beantwoording verwijst naar de beantwoording van vraag 2. Die beantwoording biedt echter geen verdere verduidelijking.

6. Bedoelt het college met het woord “versterken” in “het versterken van het zakelijk profiel” een groei van het aantal vluchten? Zo nee, wat voor soort versterking heeft het college dan voor ogen?

Het college verwijst hiervoor naar het antwoord op vraag 1 hierboven.

In de beantwoording van vraag 7 stelt het college: “een goede toegankelijkheid via de lucht […] is […] cruciaal.”

7. Vindt het college een goede toegankelijkheid via het spoor ook cruciaal? Aan welke vervoersmodaliteit (trein- of vliegverkeer) geeft het college prioriteit?

Het college acht een goede toegankelijkheid van Den Haag als internationale stad, residentie van het land, toeristisch centrum en stad met vele internationale congressen via de weg, het spoor, het water en lucht cruciaal.

De beantwoording van vraag 8 verwijst naar de beantwoording van vraag 7, die in het geheel geen antwoord geeft op vraag 8. Daarom stellen wij dezelfde vraag nogmaals.

8. Kan het college aangeven hoe ver de gemeente al is gevorderd in haar omslag naar klimaatneutraliteit en hoe de door het college gewenste ontwikkeling van RTHA daaraan bijdraagt of afdoet?

Daartoe is door uw raad de topindicator klimaat vastgesteld, waarover in de begrotingscyclus wordt gerapporteerd. De meest recente jaarrekening over 2016 bevat de onderstaande monitoringsgegevens:

Topindicator Basisjaar 1990 Begroting 2015 Realisatie 2015 Begroting 2016 Realisatie 2016
CO2-reductie (%) - 24% 33% 25% 31%
Uitstoot CO2 (in kton) 2.499 1.899 1.662 1.874 1.715
Wonen 665 694
Werken 592 610
Mobiliteit 302 306
Afval 104 105

De ontwikkeling van RTHA draagt daar niet aan bij en doet daar niet aan af, zie ook vraag 10.

In de beantwoording van vraag 7 noemt het college de “toegestane geluidsruimte”. In de beantwoording van vraag 11 noemt het college de “vergunde milieuruimte”.

9. Kan het college een overzicht geven van eisen en normen wat betreft de geluids- en milieuruimte waarbinnen RTHA moet opereren?

Voor RTHA is het ministerie van Infrastructuur en Milieu bevoegd gezag. Het college heeft de volgende openbare informatie verzameld. De regels die gelden voor RTHA zijn te vinden in de ”Omzettingsregeling”: http://wetten.overheid.nl/BWBR0033333/2013-05-01. De inspectie Leefomgeving en Transport is verantwoordelijk voor de handhaving. In het rapport “Handhavingsrapportage Rotterdam The Hague Airport 2016” doet zij daarover verslag: https://www.ilent.nl/documenten/rapporten/2017/01/09/handhavingsrapportage-rotterdam-thehague-airport-2016. Om interpretatiefouten te vermijden is het niet verstandig de normen in een overzicht weer te geven.

In de beantwoording van vraag 9 stelt het college dat regionale, door de gemeente gefinancierde activiteiten (zoals RTHA) niet meetellen in de lokale klimaatdoelstellingen. Dat standpunt houdt in dat de uitstoot van RTHA alléén meetelt voor de klimaatdoelstellingen van de gemeente Rotterdam. De uitstoot van de kolencentrale Eemshaven telt, volgens dit opmerkelijk perspectief, alleen mee voor de lokale klimaatdoelstellingen van de gemeente Eemsmond, dat daardoor haar klimaatdoelstellingen, hoe conservatief ze ook mogen zijn, vermoedelijk nooit zal halen. Het feit dat CO2–moleculen zich niets aantrekken van gemeentegrenzen behoeft geen verdere uitleg.

10. Zou het, volgens het college, niet redelijker zijn om de uitstoot van economische activiteiten met een regionaal bereik wat klimaatdoelstellingen betreft te spreiden over de betreffende regio, aangezien de CO2-moleculen dat ook doen?

Nee. Monitoring van CO2 -uitstoot is gebaseerd op de definitie uit de energievisie Den Haag 2040 (RIS 180175). De CO2 die vrijkomt bij opwekking van energie (binnen of buiten de gemeentegrens) en die in Den Haag wordt gebruikt, wordt bijgehouden. Voor elke eenheid elektriciteit die wordt gebruikt, wordt een landelijk gemiddelde hoeveelheid CO2 toegerekend aan Den Haag. Daarin is ook de CO2-uitstoot van de kolencentrales meegewogen, in tegenstelling de veronderstelling in de vraagstelling.

De CO2-uitstoot van de luchthaven wordt aan Rotterdam toegerekend. Van de vliegtuigen wordt alleen het deel meegeteld dat aan de luchthaven wordt toegerekend (stijgen en landen). Dit was in totaal in 2014 14.860 ton CO2.

Het spreiden van de toewijzing van CO2-uitstoot van regionale activiteiten aan gemeenten in de regio is niet wenselijk. Een groot deel van de economische activiteit heeft in enige mate een regionale of landelijke functie (bijvoorbeeld: huisvesting rijksoverheid, treinstations, snelwegen, uitgaanscentra, grotere winkels, afvalverwerking etc.). Verdelen van die uitstoot over regionale gemeentes zou leiden tot een zeer ingewikkeld systeem, dat geen extra sturingsmogelijkheden voor de gemeenteraad oplevert.

Dat laat onverlet dat dit college het belangrijk vindt dat CO2-uitstoot binnen en buiten de gemeente wordt teruggedrongen. Dit wordt in alle toekomstige gevallen meegewogen bij het kiezen van gemeentelijke inbreng in regionale projecten.

Het college van burgemeester en wethouders,

de secretaris,
de burgemeester,
Annet Bertram Pauline Krikke