Schrif­te­lijke vragen beschermde dier­soorten en bouw­ac­ti­vi­teiten


Aan de voorzitter van de gemeenteraad,

Sinds 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming in werking getreden. In deze wet staat onder andere welke dieren in Nederland worden beschermd. Zodra ergens plannen zijn om te bouwen of een ingreep in de openbare ruimte plaatsvindt, moet er een onderzoek naar aanwezige flora en fauna worden uitgevoerd. Dit onderzoek wordt gedaan door ecologische adviesbureaus. Nu blijkt uit onderzoek (WUR, 2017)[1] dat vrijwel de meeste bouwprojecten doorgang vinden, zelfs als er een beschermde diersoort wordt aangetroffen in het plangebied. Door een ontheffing aan te vragen kan het leefgebied van beschermde dieren worden gecompenseerd en kunnen deze dieren eventueel worden verplaatst.

Onder verwijzing naar artikel 30 van het Reglement van Orde stelt ondergetekende de volgende vragen:

1. Is het college bekend met bovengenoemd onderzoek naar de kwaliteit van de ecologische onderzoeksrapporten?

2. Hoeveel ecologische rapporten zijn er na de invoering van de nieuwe Wet Natuurbescherming opgesteld? Voor welke ingrepen in de openbare ruimte hebben de onderzoeken plaatsgevonden?

3. In hoeveel gevallen heeft een aanvullend flora en fauna (veld)onderzoek moeten plaatsvinden? Wat waren daar de redenen voor?

4. Bij welke plannen in de afgelopen drie jaar is sprake geweest van daadwerkelijke compensatie ten behoeve van aanwezige flora en fauna en bij welke niet? Wat voor compensatie is er toegepast? Vindt deze compensatie voorafgaand aan de ingreep of achteraf plaats? Aan welke criteria dient compensatie te voldoen?

5. Hoe vaak is er sinds 1 januari 2017 een ontheffing verleend? Is het aantal verleende ontheffingen toegenomen sinds de invoering van de Wet Natuurbescherming? Op basis van welke criteria verleent de gemeenten een ontheffing?

Het netwerk groene bureaus maakt zich zorgen over de kwaliteit van flora en fauna onderzoeken, omdat er geen eenduidige aanpak is. Inmiddels hebben zij samen met de zoogdiervereniging een vleermuizenprotocol opgesteld.

6. Welke ecologische adviesbureaus worden door de gemeente geraadpleegd voor het uitvoeren van flora- en faunaonderzoeken?

7. Hanteert het college een protocol voor ecologische adviesbureaus voor een flora en fauna onderzoek? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke? Is een van de criteria dat een rapport "Raad van State-proof” moet zijn, zoals in het onderzoek van de WUR naar voren komt?

8. Is het college bereid om ecologische adviesbureaus in ieder geval al het huidige vleermuisprotocol[2] voor te schrijven? Zo nee, waarom niet?

9. Hoe zorgt het college ervoor dat de kwaliteit van de flora- en faunaonderzoeken wordt gewaarborgd?

Met vriendelijke groet,

Christine Teunissen

Partij voor de Dieren

[1] https://demonitor.ncrv.nl/dier-en-bouw/onderzoeker-kritisch-op-rapporten-bij-bouw-en-natuurbescherming-het-is-een-fabriek-geworden

[2] http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol

Antwoorddatum: 1 jun. 2017

Het raadslid mevrouw Teunissen heeft op 29 mei 2017 een brief met daarin negen vragen aan de voorzitter van de gemeenteraad gericht.
Overeenkomstig artikel 30 van het reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad, beantwoordt het college deze vragen als volgt.

Sinds 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming in werking getreden. In deze wet staat onder andere welke dieren in Nederland worden beschermd. Zodra ergens plannen zijn om te bouwen of een ingreep in de openbare ruimte plaatsvindt, moet er een onderzoek naar aanwezige flora en fauna worden uitgevoerd. Dit onderzoek wordt gedaan door ecologische adviesbureaus. Nu blijkt uit onderzoek (WUR, 2017) dat vrijwel de meeste bouwprojecten doorgang vinden, zelfs als er een beschermde diersoort wordt aangetroffen in het plangebied. Door een ontheffing aan te vragen kan het leefgebied van beschermde dieren worden gecompenseerd en kunnen deze dieren eventueel worden verplaatst.

1. Is het college bekend met bovengenoemd onderzoek naar de kwaliteit van de ecologische onderzoeksrapporten?

U refereert aan een interview met een onderzoeker van de WUR waarin hij een oordeel geeft over de actuele stand van zaken inzake ecologische onderzoeken ten behoeve van de Wet natuurbescherming. Aan de uitzending ligt, voor zover wij hebben kunnen nagaan, geen (gedocumenteerd) onderzoek ten grondslag.

2. Hoeveel ecologische rapporten zijn er na de invoering van de nieuwe Wet Natuurbescherming opgesteld? Voor welke ingrepen in de openbare ruimte hebben de onderzoeken plaatsgevonden?

Een aanvrager heeft bij een aanvraag om een omgevingsvergunning de mogelijkheid vooraf een aanvraag in te dienen op grond van de Wet natuurbescherming bij de provincie. Een aanvrager heeft ook de mogelijkheid een omgevingsvergunning met het onderdeel natuur in te dienen bij de gemeente. In beide gevallen is de provincie het bevoegd gezag voor het verlenen van de ontheffing of de verklaring van geen bedenkingen. Bij ingekomen aanvragen om een omgevingsvergunning wordt bekeken of er een ecologisch onderzoeksrapport is ingediend. Indien er geen ecologisch rapport is ingediend, en er geen vergunning is aangevraagd bij de provincie, wordt door de gemeente beoordeeld of de aanvraag mogelijk gevolgen heeft voor beschermde soorten of gebieden als bedoeld in de Wet natuurbescherming. Als dit het geval lijkt te zijn, dan zal de aanvrager worden verzocht om een aanvulling. De aanvullende stukken worden beoordeeld in overleg met de provincie. In een aantal gevallen leidt dit tot een verzoek om een verklaring van geen bedenkingen. Uit navraag bij de provincie blijkt dat er sinds de invoering van de Wet natuurbescherming twee keer een ontheffing is afgegeven voor het grondgebied van de gemeente. Er is nog geen verklaring van geen bedenkingen afgegeven. Zoals aangegeven is de provincie het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming. De gemeente kent geen aparte registratie van het aantal ecologische rapporten.

3. In hoeveel gevallen heeft een aanvullend flora en fauna (veld)onderzoek moeten plaatsvinden? Wat waren daar de redenen voor?

Zie de beantwoording van vraag 2.

4. Bij welke plannen in de afgelopen drie jaar is sprake geweest van daadwerkelijke compensatie ten behoeve van aanwezige flora en fauna en bij welke niet? Wat voor compensatie is er toegepast? Vindt deze compensatie voorafgaand aan de ingreep of achteraf plaats? Aan welke criteria dient compensatie te voldoen?

Met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming is de provincie het bevoegd gezag voor de vergunningen en ontheffingen. Voor de inwerkingtreding lag deze verantwoordelijk grotendeels bij het rijk (de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland). De gemeente heeft derhalve geen zicht op het aantal plannen waarbij in de afgelopen drie jaar sprake is geweest van compensatie ten behoeve van aanwezige flora en fauna.

5. Hoe vaak is er sinds 1 januari 2017 een ontheffing verleend? Is het aantal verleende ontheffingen toegenomen sinds de invoering van de Wet Natuurbescherming? Op basis van welke criteria verleent de gemeenten een ontheffing?

Zie de beantwoording van vraag 2.

6. Welke ecologische adviesbureaus worden door de gemeente geraadpleegd voor het uitvoeren van flora- en faunaonderzoeken?

De gemeente zet als opdrachtgever opdrachten uit bij gerenommeerde adviesbureaus die adviseren conform de geldende wet- en regelgeving en werken volgens voorschreven protocollen ten aanzien van het inventariseren van flora en fauna om zo tot een onafhankelijk advies kunnen komen. Deze adviesbureaus zijn alle lid van het Netwerk Groene Bureaus.
De gemeente heeft een raamcontract afgesloten met drie partijen die lid zijn van het Netwerk Groene Bureaus. Het betreft De Groene Ruimte, Aqua Terra Nova en Buro Bakker. De onderzoeken worden onder meer verricht in het kader van bestemmingsplannen, gebiedsontwikkeling, het kappen van bomen en de sloop van panden die gemeentelijke eigendom zijn. Naast de opdrachten die worden uitgezet onder de raamovereenkomsten worden er ook onderzoeken uitgezet bij leden van het Netwerk Groene Bureaus, zoals: ATKB, Anteagroup, Koenders en Partners, Lievense CSO, Regelink ecologie en Landschap, Sweco, Tauw en Van der Helm Milieubeheer BV.
Stadsbreed onderzoek naar de verspreiding van vleermuizen in de stad is uitgezet bij de Zoogdierenwerkgroep Zuid-Holland, die is aangesloten bij de landelijke Zoogdiervereniging die door het bevoegd gezag word erkend als deskundig op het gebied van dit soort specifieke ecologie. Specialistische kennis zoals deze en bijvoorbeeld die van de Haagse Vogelbescherming wordt met name voor ecologisch veldwerk ingezet. Deze verenigingen kunnen geen lid worden van de NGB.

7. Hanteert het college een protocol voor ecologische adviesbureaus voor een flora en fauna onderzoek? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke? Is een van de criteria dat een rapport "Raad van State-proof” moet zijn, zoals in het onderzoek van de WUR naar voren komt?

De gemeente toetst of de ecologische onderzoeken kwalitatief voldoen. In het omgevingsvergunningstraject worden de ecologische onderzoeken getoetst door de stadsecologen. Een goed onderzoek is vanzelf “Raad van State proof” en geen doel op zich. Alle bureaus werken volgens protocollen (vanuit Netwerk en bijvoorbeeld wettelijk vastgestelde als bijvoorbeeld Vleermuisprotocol).

8. Is het college bereid om ecologische adviesbureaus in ieder geval al het huidige vleermuisprotocol voor te schrijven? Zo nee, waarom niet?

Indien de aanwezigheid van vleermuizen niet kan worden uitgesloten, dan wordt het vleermuisprotocol gevolgd. Het vleermuisprotocol bestaat al diverse jaren en is onlangs vernieuwd. De bureaus dienen de laatste versie te hanteren.

9. Hoe zorgt het college ervoor dat de kwaliteit van de flora- en faunaonderzoeken wordt gewaarborgd?

Zie de beantwoording van vraag 7.

Het college van burgemeester en wethouders,

de secretaris,
de burgemeester,
Annet Bertram Pauline Krikke