Schrif­te­lijke vragen Dieren in gevaar door verkeer


Indiendatum: 26 aug. 2020

Regelmatig worden dieren slachtoffer van het verkeer in Den Haag. Door verstedelijking neemt de druk op de openbare ruimte en daarmee ook het leefgebied van dieren toe. Onlangs werd in een waterrijke omgeving een groep jonge nijlgansjes aangereden met dodelijke afloop.

Overeenkomstig art. 30 van het Reglement van orde stelt het raadslid Smit, Partij voor de Dieren, de volgende vragen:

1) Op welke manier en hoe vaak wordt de gemeente geïnformeerd door de Dierenambulance en andere dierenhulporganisaties over de hoeveelheden dierlijke verkeersslachtoffers?

2) Wat doet de gemeente met deze informatie? Kan het college concrete voorbeelden noemen van hoe deze kennis wordt gebruikt in bijvoorbeeld beleidsvorming en ruimtelijke inrichting?

Op eerdere vragen (RIS301910) van de Partij voor de Dieren heeft het college geantwoord dat de Dierenambulance niet aan de gemeente doorgeeft op welke locaties dieren worden aangereden. “Wel heeft het college goed contact met de dierenambulance en worden eventuele probleemgebieden gemeld bij de gemeente. Bijvoorbeeld als er in een gebied veel sterftegevallen zijn geconstateerd als gevolg van botulisme of opvallend veel aangereden dieren worden aangetroffen.”

3) Is het college het met de Partij voor de Dieren eens dat meer kennis over de locaties waar dieren worden aangereden kan zorgen voor meer inzicht in de veiligheid van verkeerssituaties? Zo nee, waarom niet?

4) Wat voor aantallen hanteert de gemeente bij het beslissen of ergens ‘veel sterftegevallen zijn geconstateerd’? Hoeveel vogels moeten er bijvoorbeeld op een bepaalde weg worden aangereden om als probleem te worden erkend? Hoe houdt de gemeente die cijfers en locaties bij?

5) Treft de gemeente altijd maatregelen als ergens veel sterftegevallen worden geconstateerd? Zo ja, wat voor maatregelen? Zo nee, waarom niet?

6) Is het college bereid om waarschuwingsborden voor automobilisten te plaatsen op plekken waar veel dieren worden aangereden?

7) Is het college bereid om verkeersdrempels of andere snelheidsbeperkende maatregelen te nemen op plekken waar veel dieren worden aangereden?

8) Is het college bereid om verkeersdrempels te plaatsen op plekken waar veel dieren worden aangereden?

9) Heeft het college al eens andere mogelijkheden onderzocht om ervoor te zorgen dat er minder dierlijke slachtoffers vallen in het Haagse verkeer? Zo ja, wat zijn dit? Zo nee, is het college hiertoe bereid?

Robin Smit
Partij voor de Dieren

Indiendatum: 26 aug. 2020
Antwoorddatum: 1 dec. 2020

Het raadslid de heer Smit heeft op 26 augustus 2020 een brief met daarin negen vragen aan de
voorzitter van de gemeenteraad gericht. Overeenkomstig artikel 30 van het reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden
van de raad, beantwoordt het college deze vragen als volgt


Regelmatig worden dieren slachtoffer van het verkeer in Den Haag. Door verstedelijking neemt de druk op de openbare ruimte en daarmee ook het leefgebied van dieren toe. Onlangs werd in een waterrijke omgeving een groep jonge nijlgansjes aangereden met dodelijke afloop.

1) Op welke manier en hoe vaak wordt de gemeente geïnformeerd door de Dierenambulance en andere dierenhulporganisaties over de hoeveelheden dierlijke verkeersslachtoffers?

Het college ontvangt jaarlijks een totaaloverzicht van de Dierenambulance van het aantal gewonde
dieren en kadavers die zijn vervoerd. Deze gegevens zijn niet locatie specifiek. Recent heeft het college
zich door de Dierenambulance laten informeren over verkeersslachtoffers onder dieren. De
Dierenambulance zal de gemeente voortaan jaarlijks informeren over dierlijke slachtoffers in het
verkeer.

2) Wat doet de gemeente met deze informatie? Kan het college concrete voorbeelden noemen van hoe deze kennis wordt gebruikt in bijvoorbeeld beleidsvorming en ruimtelijke inrichting?

De gemeente houdt bijvoorbeeld rekening met de aanleg van plaatsen waar watervogels uit het water
kunnen treden. Dergelijke uittreeplaatsen worden alleen aangelegd waar de watervogels veilig uit het
water kunnen. Langs drukke wegen worden dergelijke plekken daarom niet aangelegd. Ook de hulp die
veel vrijwilligers bieden om padden over te zetten in het voorjaar is mede ingegeven door de informatie
die de Dierenbescherming ontving over de vele doodgereden padden op de Laan van Poot.

Op eerdere vragen (RIS301910) van de Partij voor de Dieren heeft het college geantwoord dat de Dierenambulance niet aan de gemeente doorgeeft op welke locaties dieren worden aangereden. “Wel heeft het college goed contact met de dierenambulance en worden eventuele probleemgebieden gemeld bij de gemeente. Bijvoorbeeld als er in een gebied veel sterftegevallen zijn geconstateerd als gevolg van botulisme of opvallend veel aangereden dieren worden aangetroffen.”

3) Is het college het met de Partij voor de Dieren eens dat meer kennis over de locaties waar dieren worden aangereden kan zorgen voor meer inzicht in de veiligheid van verkeerssituaties? Zo nee, waarom niet?

Voor inzicht in de veiligheid van verkeerssituaties maakt het college gebruik van de gegevens van de verkeersongevallenregistratie, de zogenaamde BRON gegevens (Bestand Registratie Ongevallen Nederland). Daarnaast kijkt het college naar meldingen over onveilige verkeerssituatie die veelal via
het gemeentelijk meldpunt (14070) binnenkomen. Ook heeft de gemeente dit jaar een verkeersveiligheidsmodel laten ontwikkelen. In dit model zitten naast de ongevallengegevens en de gegevens over de meldingen ook allerlei andere gegevens, zoals verkeersintensiteiten, fietsintensiteiten, snelheidsgegevens, wegkenmerken, kenmerken van de omgeving en demografische gegevens. Met dit model heeft de gemeente een goed beeld van de veiligheid van verkeerssituaties in de
stad.

4) Wat voor aantallen hanteert de gemeente bij het beslissen of ergens ‘veel sterftegevallen zijn geconstateerd’? Hoeveel vogels moeten er bijvoorbeeld op een bepaalde weg worden aangereden om als probleem te worden erkend? Hoe houdt de gemeente die cijfers en locaties bij?

Daar zijn geen richtlijnen voor te geven. Met huidige inrichting van de openbare ruimte en huidige vormen van mobiliteit die de stad kent, is het helaas niet te voorkomen dat dieren worden aangereden. Het college vindt wel dat elk aangereden dier een dier teveel is. Zie verder de beantwoording van vraag
1.

5) Treft de gemeente altijd maatregelen als ergens veel sterftegevallen worden geconstateerd? Zo ja, wat voor maatregelen? Zo nee, waarom niet?

Er zijn voor zover bekend geen specifieke verkeersmaatregelen genomen op locaties waar veel dieren worden aangereden. Uit de gegevens van de Dierenambulance blijkt dat de meeste aanrijdingen met dieren gebeuren op hoofdwegen vaak met groengebieden erlangs. Juist op deze hoofdwegen is het niet
mogelijk om snelheidsbeperkende maatregelen te nemen (zie ook antwoord op vraag 7). Ook gaat het veelal om vogels en in het wild levende dieren die een belangrijk deel uitmaken van de verkeersslachtoffers onder dieren. Helaas kunnen deze dieren niet beschermd worden door het plaatsen van omheiningen of afrasteringen langs de groenzones. Wel treft het college diverse maatregelen om dieren te helpen met oversteken door het aanleggen van faunatunnels, looprichels onder bruggen en ecoducten (verbindingen voor dieren over drukke verkeerswegen).

6) Is het college bereid om waarschuwingsborden voor automobilisten te plaatsen op plekken waar veel dieren worden aangereden?

Uit de gegevens van de Dierenambulance blijkt dat aanrijdingen met dieren in de hele stad voorkomen. Het is ondoenlijk en ook niet zinvol om overal waarschuwingsborden te plaatsen.

7) Is het college bereid om verkeersdrempels of andere snelheidsbeperkende maatregelen te nemen op plekken waar veel dieren worden aangereden?

In woongebieden geldt een maximumsnelheid van 30 km/u. In de nota’s “Kiezen voor Verkeersveiligheid, verkeersveiligheidsstrategie Den Haag 2030” (RIS305029) en “Ruim baan voor de fiets, fietsstrategie Den Haag 2040” (RIS302960) is vastgelegd dat het college waar mogelijk ook 30 km/u wil instellen op wijkontsluitingswegen met gemengd verkeer. Om ervoor te zorgen dat die maximumsnelheid wordt nageleefd worden verkeersdrempels of andere snelheidsbeperkende maatregelen aangelegd. Op stedelijke hoofdwegen blijft de maximumsnelheid van 50 km/uur gelden. Dit zijn de hoofdroutes voor de nood- en hulpdiensten en vaak ook openbaar vervoerroutes. Snelheidsremmende maatregelen worden hier in verband met de aanrijtijden hulpdiensten en de snelheid en comfort van het openbaar vervoer niet toegepast.

8) Is het college bereid om verkeersdrempels te plaatsen op plekken waar veel dieren worden aangereden?

Zie beantwoording vraag 7.

9) Heeft het college al eens andere mogelijkheden onderzocht om ervoor te zorgen dat er minder dierlijke slachtoffers vallen in het Haagse verkeer? Zo ja, wat zijn dit? Zo nee, is het college hiertoe bereid?

Het college voert al jaren beleid om het verkeer veiliger te maken in de stad. Zie ook het antwoord op vraag 7. Daarnaast zet het college in op een mobiliteitstransitie (RIS302361) naar duurzame en minder ruimte innemende vormen van verplaatsen zoals lopen, fietsen en het gebruik van openbaar en
deelvervoer. De switch naar meer lopen en fietsen en minder autogebruik zal uiteindelijk de veiligheid van de dieren in de stad ten goede komen. Verder treft het college, zoals eerder aangegeven al diverse maatregelen om dieren te helpen met oversteken door het aanleggen van faunatunnels, looprichels
onder bruggen en ecoducten.

Het college van burgemeester en wethouders,
de secretaris,
Ilma Merx

de burgemeester,
Jan van Zanen