Schrif­te­lijke vragen Schei­dings­plicht van afval in bedrijfs­ver­gun­ningen


Aan de voorzitter van de gemeenteraad,

De PvdD verneemt van werknemers en ondernemers dat diverse bedrijven in Den Haag hun afval niet gescheiden inleveren. In de horeca gaat het vaak om PMD, bij kantoren en instituten om oud papier en karton. In enkele gevallen wordt oud papier en karton zelfs in het bedrijfsproces wel gescheiden, maar uiteindelijk alsnog bij het restafval samengevoegd.

Het gescheiden inzamelen van afval is voor bedrijven belangrijk, omdat het Rijk in het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) aangeeft te streven naar een circulaire economie. Het college sluit zich hierbij aan, blijkt uit het coalitieakkoord. In de kadernota duurzaamheid staat dat de gemeente streeft naar ‘circulaire economie waarin afgedankte producten en materialen worden hergebruikt’.

Overeenkomstig art. 30 van het Reglement van orde stellen de raadsleden Robert Barker en Robin Smit, Partij voor de Dieren, de volgende vragen:

  1. Herkent het college zich in de geschetste situatie omtrent afvalscheiding bij bedrijven?

Het Rijk heeft het ‘uitgangspunt dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd’. Hiertoe heeft het Rijk richtlijnen opgesteld. De richtlijn voor scheiding van papier, karton en folie is deze vanaf een aanbod van 0 kg per week te verplichten[1].

  1. Hoe beziet het college de scheidingsplicht van bedrijfsafval?

De gemeente is bevoegd de scheiding van diverse soorten afval bij kleine hoeveelheden te verplichten, door deze verplichting vast te leggen in de vergunning van het bedrijf. Deze verplichting kan worden gesteld wanneer het om geconcentreerde afvalstromen gaat[2]. Deze verplichting wordt momenteel niet standaard gesteld.

  1. In hoeverre maakt de gemeente gebruik van de mogelijkheid om de afvalscheiding in vergunningen voor bedrijven te verplichten?
  2. Kan het college een overzicht geven van vergunningen waarbij hier wel gebruik van is gemaakt?
  3. Hoe is deze scheidingsplicht in de vergunningen geformuleerd?
  4. Hoe zit dit bij bedrijven zonder vergunningen? Is het mogelijk voor deze bedrijven een scheidingsplicht in te stellen?
  5. Hoe hanteert de gemeente de controle en handhaving van het afvalbeleid in de reeds verleende vergunningen van bedrijven? In welke frequentie gebeurt dit?
  6. Is het college bereid om in vergunningen van bedrijven vast te leggen dat ze hun bedrijfsaval scheiden aan de hand van de richtlijnen opgesteld door het Rijk? Zo ja, binnen welk termijn? Zo nee, waarom niet?
  7. Is het college bereid te analyseren bij welke bedrijven milieuwinst te behalen valt als hun afvalbeleid wordt aangepast? Zo ja, op welk termijn?
  8. Welke overige mogelijkheden ziet het college om te garanderen dat ook bedrijven hun afvalstromen gescheiden laten inzamelen? Welke termijnen zijn hieraan verbonden?

Robert Barker
Partij voor de Dieren

Robin Smit
Partij voor de Dieren

[1] Zie bijlage ‘HFST B.3 Afvalscheiding van het Landelijk Afvalbeheerplan 3 (LAP3)’, paragraaf B.3.5.2.1 tabel 2

[2] Zie bijlage ‘HFST B.3 Afvalscheiding van het Landelijk Afvalbeheerplan 3 (LAP3)’